Ik ben gaan klimmen in een klimbos met Pauline, zoals ik me had voorgenomen.

Ik dacht dat we gewoon even leuk wat gingen doen op een slome zaterdag en was onvoorbereid op hoe ontzettend vet ik het vond. Ik was het genot van klimmen vergeten. Het was zwaar en gaaf en met trillende armen klommen wij over al die routes. Uiteindelijk moest ik 7 meter naar beneden springen en landde ik veilig, trillend op mijn benen en huilend van de spanning. Echt een aanrader.

We gingen daarna naar restaurant-om-de-hoek “Buiten in de Kuil“. Ik werkte ooit prettig samen met de eigenaar en was allerminst verbaasd over de uitzonderlijke gastvrijheid van dat restaurant. (Veel workshops over eten die ik geef, zoals de zuurkoolworkshop, zijn ontwikkeld voor een terugkerend festival dat hij ooit organiseerde).

Toen we lekker zaten, eerste wijntje besteld, besefte ik me dat ik mijn lievelingsring was kwijtgeraakt in het klimbos. We raceten terug naar het bos.

De heel vriendelijke medewerkers zochten, maar vonden niks.

Het was niet zomaar mijn lievelingsring. Het was één van de ringen die mijn ouders aan elkaar gaven, voordat ze trouwden. Het was de ring die ik nooit een dag niet draag. De ring die ik kwijtraakte, die drie weken later door een kokosnotenverkoper werd gevonden, waarmee ik daarna een woest erotische week beleefde. Die ring, die er altijd was. Die niet mooi was, maar wel altijd om. Die ring waar ‘Tiny’ nog heel vaag op staat, omdat mijn vader blijkbaar ooit zo heette. Die ring was weg.

Dat moest even bezinken.

Pauline nam de gelegenheid te baat om even te toiletteren in één van de twee toiletten. Hoe het mogelijk is, snapt niemand, maar daar, in de hals van het toilet, lag een ring.

“Is dat jouw ring?” vroeg ze.
“Vast niet”, zei ik.

Maar het was mijn ring. Die was van de klimhaak waaraan ik ‘m had gehaakt geraakt, had blijkbaar al het doortrekken doorstaan. Lag daar nu op de bodem van een toilet en werd gevonden omdat we Pauline toevallig op de juiste wc wilde gaan plassen.

Daarna gingen high van het toeval terug naar de Kuil, aten heerlijk, en namen ons voor nog veel vaker te gaan klimmen.