Het regende niet, er zat wel water in de lucht. Ik nam een astma-pufje en ademde makkelijker in.

Ik liep naar de bus, dat was veel verder dan ik gewend ben. In mijn eigen stad, daar neem ik vaak nieteens de bus naar het station, lopen is net zo snel. En als ik een bus wilde nemen, dan zou het niet in me opkomen om te kijken hoe laat die komt, want die komt gewoon de hele tijd.

Ik had geplast, de voordeur twee keer gecheckt op dichtzijn, de sleutel echt niet verstopt op een plek in de buurt van de vijver. Ik had al mijn spullen weer op mijn rug want ik ging weer naar huis.

Het was pas zaterdag en ik had het hele weekend kunnen blijven, maar deed het niet want ik was onrustig. Ik wou iets. Het was te stil, figuurlijk gesproken.

Letterlijk was er herrie. Ik werd knetterbek van de buren die aan het houtzagen waren, wat klonk als bladblazen, want een vergelijkbaar verschrikkelijk, niet te negeren, afleidend doordringend geluid produceert.

Ik had op 9292ohnee gekeken en die beweerde dat ik om twintig-over moest aanlopen (we waren in Brabant tenslotte). Ik factcheckte dat niet en liep.

Ik liep normaaltempo, zag dat de looptijd onrealistisch was maar keerde niet om. Ik bleef lopen. Tegen beter weten in. Die ochtend had ik datzelfde stuk andersom hardgelopen, en tenzij er een horizontale roltrap was aangelegd, kon ik niet op tijd bij de bushalte zijn. Het was zaterdag en bijna carnaval, niemand ging in een weiland een loopband aanleggen én direct de verkorte route doorgeven aan 9292. Toch?

Ik ging de bus missen. Het boeide me niet zo veel. Ik zou wel zien hoe het goed kwam. Tot ik de bus de halte in de verte zag passeren. Toen was ik geïrriteerd. Ik wilde met Steven bellen om hem te dwingen mij vanavond te vermaken, maar mijn headset deed het niet en toen wilde ik niet meer bellen. Zo: dag, humeur.

Het was zaterdag, bijna etenstijd, ik had de bus gemist en de volgende kwam pas over een uur!

Ik ging niet teruglopen, niet een uur wachten zonder hokje, ik liep dus maar door. Ik heb zo, zie foto, in mijn eentje de bergen van Nepal doorkruist met een rugzakje en een glimlach. Maar nu een uur lopen naar het station, dát trok ik niet.

Ik was al voorbij de volgende bushalte. Een lange rechte weg, met maar één mijn inhalende auto. Die niet stopte toen ik mijn duim toonde ter indicatie van mijn interesse in een lift.

Oh, wat zonde om zo in Nepal te kunnen lopen maar nu hier te gnuiven. Ik had niet eens iets beters te doen. Ik had zelfs nog een halve fles wijn in mijn tas.

Een windvlaag deed me opkijken. Zo’n vlaag, die ken ik van fietsvakanties in Nederland, het is de voorbode van regen. Buienradar verzekerde me me geen zorgen te maken terwijl de eerste spetters vielen. Ok, nu wilde ik wel echt een lift.

Bij de volgende auto stak ik mijn duim al op tijd de lucht in, geeft een mens tijd om te overwegen. Vlak na het passeren stopte de auto. De chauffeur vroeg waar ik heen wilde, en bracht me naar het centraal station in Den Bosch terwijl de regen tien minuten op de voorruit sloeg. Daar knapte mijn humeur van op.

Soms red je het, soms niet, soms word je gered.