ze willen met me praten (dag 1)

deel 2/3  | Schiphol – Napoli | fiets 7,3 km | hardlopen 7,8 km | wandelen 9,1 km | zaterdag 14 jan 2017

Ik stap met vliegtuigbenen op mijn fiets. Het is warm en donker in Napels op deze zaterdagavond. Fietspaden bestaan er niet. Ik fiets tussen het gemotoriseerd verkeer, navigeer met een app die ook offline werkt. De navigatiestem doop ik Anja. Soms mompelt ze wat vanuit de zak van mijn windjack. In volg haar.

Ik grijns van oor tot oor. Het verkeer is chaotisch: driebaanswegen worden als tweebaans gebruikt en andersom. Scooters laveren door het drukke verkeer, halen links of rechts in. Er wordt driftig getoeterd en ik fiets daar voor het eerst tussen.

Anja, dat weet ik dan nog niet, heeft de neiging me in steden te laten krioelen door kleine straten, dus hobbel ik hier over keien, maak vele bochten, slinger door achterstraten en rij de kortste maar zeker niet de snelste route, op aanraden van Anja.

Als ik denk dat het gek is dat ik nog geen honger heb, weet ik dat ik snel moet gaan zoeken naar voedsel. Zodra ik dat denk, heb ik eigenlijk al honger, maar is de honger nog negeerbaar. Later wordt de honger zo’n gierend monster dat voorkomt dat ik keuzes kan maken, die heel kieskeurig wordt, die me naar vreemdelingen en vrienden doet grommen. Voeerrrr. Nu moet ik voeerrrr! Maar mijn honger is nu nog in een veilig voorstadium.

Het is 19.30 uur. Het gonst van de mensen rondom een TL-verlicht restaurantje. Ze verdringen elkaar voor een glazen vitrine waarin gefrituurde ballen liggen. Achter in de zaak worden pizza’s gebakken in een grote oven. Er lopen her en der personeelsleden en gasten. Als de Napolitanen het zo graag willen eten, dan wil ik het ook.

Ik hou mijn fiets vast en probeer half in de rij te gaan staan. Ik ben een beetje wazig van de vliegreis, snap niet precies wat er allemaal gaande is, maar dat er geen schot in de rij zit, is heel duidelijk.

Dan zwaait een oude man een bonnetje in mijn gezicht. Hij ratelt iets in het Italiaans en ik zeg: “huh?” en mime: moeilijk-kijken-handen-omhoog. Ik blijf in de rij staan, “nonononon” zegt de oude man en hij gebaart wild naar het bonnetje. Oké, denk ik hongerdom, hij wil me laten zien wat hij heeft besteld en ik zal hetzelfde moeten bestellen want hij is oud en grijs en hij komt hier vast al jaren, daarom dringt hij zo aan. Ik probeer te lezen wat er op bonnetje zijn bonnetje staat, maar hij wijst naar achter in de zaak en dan snap ik eindelijk wat hij bedoelt: je betaalt bij een aparte kassa, krijgt dan een bonnetje waarmee je naar fietsmeisjes kunt wapperen en waarmee je eten krijgt bij de vitrine.

Ik moet dus eerst achterin bestellen maar ik heb een fiets met al mijn vakantiebezittingen. Zonder die fiets ís er geen vakantie. Een andere oude man zegt: ‘ik let wel op je fiets terwijl jij bestelt” en ik, koud één uur in Napels, vertrouw volledig op deze wildvreemde Italiaan.

In de rij naar de kassa kruip ik onbedoeld voor, word vergevingsvol terechtgewezen als men snapt dat ik geen woord Italiaans versta, geen bal van hun cultuur ken. Ik wijs zo van “una van die” en “una van die” en bestel zo twee van die gefrituurde bollen uit de vitrine.

Na betaling van € 1,80 krijg ik eindelijk ook een bonnetje, dat toon ik bij de vitrine. De dame erachter overhandigt me twee lauwe ballen met rijst en vulling in een papieren zak. Een met vlees en een gele. Ze zijn heel vettig, ze vullen me precies goed. Ik zetel me op een terrasje, naast mijn fiets. Een dame geeft me servetjes. Een man vraagt of ik solo ben. Zo van “solo?!??” en hij zet grote ogen op. En ik zeg solo, en glimlach. Zoals ik nog heel heel heel vaak zal glimlachen.

Mooi, ik ben hier, de mensen zorgen dat ik niet verhonger en ze willen met me praten.

Ik stapte met vliegtuigbenen op mijn fiets. Het was warm en donker in Napels op een zaterdagavond. Fietspaden bestaan er niet. Ik fiets tussen het gemotoriseerd verkeer, navigeer met een fantastische app die je offline routes laat plannen, . De navigatiestem doop ik “Anja”. Soms mompelt ze wat uit de zak van mijn windjack. In volg haar.

Ik grijns van oor tot oor, het verkeer leek complete chaos. Driebaanswegen, worden als tweebaans gebruikt en andersom. Scooters laveren door het drukke verkeer, halen links of rechts in. Er wordt getoeterd en ik fiets daar, voor het eerst, tussen.

De app Moves houdt al m’n bewegingen bij.Anja, dat weet ik dan nog niet, heeft de neiging me in steden te laten krioelen door kleine straten. Dus hobbel ik hier over keien, maak vele bochten, op aanraden van Anja.

Als ik denk “gek eigenlijk dat ik nog geen honger heb”, weet ik dat ik snel moet gaan eten. Zodra ik dat denk, heb ik eigenlijk al honger, maar is de honger nog in de negeerbare  fase. Later wordt de honger zo’n gierend monster dat voorkomt dat je keuzes kunt maken, die heel kieskeurig wordt, die je naar vreemdelingen en vrienden doet grommen. Voeerrrr. Nu moet je voeerrrr! Maar mijn honger is nu nog in een veilig voorstadium.

Het is 19:30u. Het gonst van de mensen rondom een tl-verlicht restaurantje.  Ze verdringen elkaar voor een glazen vitrine waarin gefrituurde ballen liggen. Achter in de zaak worden pizza’s gebakken in een grote oven, er lopen her en der personeelsleden en gasten. Als de Napolitanen het zo graag willen eten, dan wil ik het ook.

Ik hou mijn fiets vast en probeer half in de rij te gaan staan. Ik ben een beetje wazig van de vliegreis, snap niet precies wat er allemaal gaande is, maar dat er geen schot in de rij zit, is me duidelijk.

Dan zwaait een oude man een bonnetje in mijn gezicht. Hij ratelt iets in het Italiaans en ik zeg maar ‘huh?-moeilijk-kijken-handen-omhoog’. Ik blijf in de rij staan, ‘nononononn’ zegt hij en hij gebaart wild naar het bonnetje. ‘Oké’, denk ik, ‘hij wil me laten zien wat hier het beste is’. Ik wil het lezen, maar hij wijst naar achter in de zaak en dan snap ik eindelijk wat hij zegt: ‘je  betaalt bij een aparte kassa en met het bonnetje krijg je eten bij de vitrine’.

Ik moet dus achterin bestellen, maar ik heb een fiets met al mijn vakantiebezittingen. Zonder die fiets ís er geen vakantie. Een andere oude man zegt ‘ik let wel op je fiets terwijl jij bestelt’ en ik, koud 1 uur in Napels, vertrouw volledig op mijn intuïtie als ik mijn tweewieler achterlaat bij deze wildvreemde Italiaan.

In de rij naar de kassa kruip ik voor, word vergevingsvol terechtgewezen als men snapt dat ik geen woord van hen versta, geen bal van hun cultuur ken. Ik bestel twee van die gefrituurde bollen uit de vitrine. Ik wijs zo van ‘una van die’ en ‘una van die’. Una en ciao zijn het enige Italiaans dat ik beheers.

Nu krijg ik na betaling van €1,80 een bonnetje, dat toon ik bij de vitrine. De dame overhandigt me twee lauwe ballen met rijst en vulling in een papieren zak. Een met vlees en een gele. Ze zijn heel vet, ze vullen me precies goed. Ik weet het niet zeker, maar ik vermoed bij het opschrijven dat het ‘arancini’ waren, typisch Syciliaanse rijstballen met vulling. Ik zetel me op een terrasje, naast mijn fiets. Een dame geeft me servetjes. Een man vraagt of ik ‘solo’ ben. Zo van ‘solo???’ grote ogen. En ik zeg solo, glimlach. Zoals ik nog heel heel heel vaak zal glimlachen.

Mooi, ik ben hier, de mensen zorgen dat ik niet verhonger en ze willen met me praten.

 

 

← Previous post

Next post →

1 Comment

  1. Hallo Sanne,
    Ik ben een vriendin van je moeder.
    Ik vind het heel leuk je reisverhaal te lezen en bewonder het gemak waarmee je het schrijft. Kijk uit naar het vervolg.
    Groetjes
    Jose van Grinsven

Geef een reactie