wat we in Palermo deden (dag 25)

deel 1/1 |   Palermo  | fiets 12,6 km | wandelen 2,6 km  | dinsdag 7 februari 2017

Een ei pocheren blijkt zo moeilijk niet.

thuis maak ik nu vaker zulke eieren. toen ik deze maakte, ontstond er een geel hartje. het viel me pas op bij het fotograferen. dingen tonen zich beter, als je er langer bij stilstaat.

Lang geleden wilde ik het kunnen. Ik bracht water aan de kook, voegde azijn toe, maakte een draaikolk en brak er een ei in. Het resultaat was steevast een pan met eierslierten. Nooit was mijn ei zo mooi als op plaatjes.

Je blijkt niet al te moeilijk te moeten doen. Hallo metafoor voor het leven.

Voor een gepocheerd ei kook je water, niet van dat agressieve kokende water hè, met woeste bubbels. Gewoon een beetje geborrel. Je breekt er een ei in. Je haalt het gekookte ei er uit. Oh: belangrijk. Zet op de achtergrond jazzy muzak. Zo bereik je pocheer-ei-perfectie.

Ik leer daarna hoe ik de deur van de bus open moet maken. Het zonlicht stroomt naar binnen. Op harde banken buiten eten we een brunch waar je meteen 10 graden gezonder van wordt: sla, avocado, gepocheerde eieren, olijven, tomaten en een paar stukken brood.

Gisteravond heeft Mike voor de zekerheid mijn fiets op het dak gelegd, bij de zijne. Als ik haar nu aanpak, voel ik hoe zwaar ze is. Bij mijn volgende fietsvakantie mag ik echt geen fiets van 16 kilo* meer meenemen.

Het is droog. Er zijn wolken. Stomme wolken, vindt Mike. Maar ik na natte dagen fietsen in de regen, ik kan alleen dankbaar zijn voor droogte. Dat is het voordeel van een nadeel.

We fladerenfietsen samen door Palermo. Twee verse bewoners die de stad bewonderen. We dwarrelen van omvangrijke Moors-aandoende kathedraal naar de woning van de koning; dat laatste is niet waar maar heel even gelooft hij me.

De hele dag zijn we traag omdat we allebei slecht en weinig geslapen hebben. Ik kan niet anders dan glimlachen, het is zo’n heerlijke dag. We zijn goed gezelschap voor elkaar.

Bij het stedelijke voel ik me niet zo thuis. Bij de grote gebouwen, de winkels. Er zijn toeristen en wij doen toeristendingen. Het klopt niet helemaal. “Als ik in een stad ben” zegt hij “zoek ik altijd naar parken.” Wat een goed idee.

We vinden een park waar we onmiddellijk alleen zijn. Het er is veel stiller. Het gedruis en geronk van de stad laten we meteen achter ons. Er zijn hoge bomen, er is gras. Midden in het park staat een prachtig gebouw waarin obers serveren. Achterin is een braakliggend stuk land.

Voorbij het gebouw vinden we een gigantische boom. Een boom die naar de grond lijkt te druipen, met lange takken, vreemde vormen. “Het is een olifant” zeg ik, en hij ziet het. De bast heeft de kleur en textuur van olifantenhuid, de rimpels in de ellebogen van de boom zijn de echte plooien van ruwe huid. Overal zien we stukjes olifant.

Er was een tijd dat me in steden altijd de bomen opvielen. Ze zijn er altijd maar ze hebben zo’n ander tempo dat ze onzichtbaar kunnen worden. Ik leef soms tijden lang in steden zonder groene reuzen op te merken. Nu valt me hun aanwezigheid weer op en ik ben blij aan hun schoonheid herinnerd te zijn.

Deze boom, de Ficus macrophylla, kunnen we niet fotograferen. We kunnen enkel kijken tot de kou ons aanspoort tot bewegen.

Tijdens zijn isolement heeft hij uiteraard nog geen enkele Italiaanse delicatesse gegeten dus kan ik hem wat Italië voeren. In een helverlichte cafetaria met schreeuwerige muziek, ergens aan een verkeersader, bestel ik in semi-vloeiend Italiaans arancini en gegrilde aubergine.

We fietslopen verder door de donkerwordende stad. We zijn nog altijd traag. Ik wil nu niets liever dan fijn samen thee  drinken in de bus en dan naar het hostel om te slapen. Een hele nacht, achter elkaar slapen.

Dus we drinken thee in zijn superbus, terwijl we luisteren naar muziek. Hij wil heel graag muziek met me maken, dat vind ik nog vervelender dan hardop zingen, dus dat werkt niet.

We kussen. Ik zou kunnen blijven maar ik wil een volle nacht slapen. Alleen. En dan schrijven.

Afgelopen 24 dagen beschreef ik elke dag of elke twee dagen minutieus en droog op wat ik meegemaakt had. Al Mikes verhalen over schrijven en boeken maken, werken aanstekelijk. Ik voel het schrijfbeest in mij ontwaken. Dit schrijfbeest wil niet alleen notulen maken. Het verlangt naar het boetseren van verhalen. Naar het delen, naar spelen met woorden, naar gelezen worden, naar dat bloggen wat ik bij thuiskomst direct fervent ging doen.

Ik sukkel naar mijn hostel op de fiets. Zink om 22:30 uur in een diepe slaap.


bovenste plaatje: Palermo, fotocredits: Vandogtraveler

* moet ik nog eens wegen want ik weet het niet helemaal zeker

 

 

← Previous post

Next post →

1 Comment

  1. Elke (!) keer als ik mijn fiets op til denk ik: wat is ie licht.. mijn vorige fiets was ook zo’n zwaar beest en dat zit schijnbaar nog in het hoofd.. en dat zal zeker schelen!

Geef een reactie