deel 3/4 |   Palermo  | fiets 14,8 km | wandelen 8,8  km  | hardlopen 10,8 km | woensdag 8 februari 2017

Ik haal Mike op bij zijn bus. Samen fietsen we naar de berg naast Palermo. Onderweg proberen we nog een banaan te kopen bij een winkeltje. Er staat een man in de winkel te roken, die zicht gedraagt alsof hij nog nooit eerder een winkeltransactie heeft meegemaakt. Alsof hij nog nooit eerder met mensen heeft gepraat. Hij blijft “vier” zeggen, als Mike probeert een banaan te kopen. Hem centen proberen te geven, helpt niet. Bananen oppakken en eetgebaren maken werkt niet. We zijn best volhardend maar die bananen gaan echt niet met ons mee. We stellen ons voor hoe hij aan het einde van de dag tegen zijn vrouw zegt dat ‘ie echt niet begrijpt waarom de zaken zo slecht lopen, dat hij zo zijn best doet. Dat er vandaag zelfs een stel was dat zijn winkel wilde kopen en dat hij vier-duizend vroeg, maar dat ze met bananen begonnen te zwaaien. We hebben schik.

Onze fietsen blijven geketend aan de voet van de berg op ons wachten. Wij zigzaggen omhoog. Hij heeft een goeie camera, oh wat zijn dat fijne dingen, daar kun je zulke mooie foto’s mee maken. Nu verlang ik ook al weer naar mijn eigen camera, zelf weer foto’s te kunnen maken. Dat vind ik ook zo fijn, mooie plaatjes maken en online zetten. Nou is het duidelijk hè? Ik mis het bloggen, ik heb er weer zin in.

Onderweg maakt hij foto’s. We vinden een verlaten gebouw, een wei met bloemen.  Er staan overal bomen en het voelt weer alsof we uit de stad zijn en dat is zo fijn. Kwam ik aan in deze stad met een behoefte aan glamour en glitterjurken, nu wil ik weer terug naar buiten.

Op de berg is een kerk in een grot, eindelijk een kerk. Ik ben hier nu al bijna een maand en ik had nog geen kerk van binnen gezien.

Zo, nu heb jij ook een Italiaanse kerk van binnen gezien!

Als we naar beneden lopen, verandert onze interactie van kletsen naar een echt gesprek. Ineens is hij geen jongen meer met wie ik gewoon verhalen aan het uitwisselen ben. Geen toevallige passant op een reis. Ineens voel ik me met hem verbonden. Hij herinnert me aan dingen die ik vergeten was, vraagt vragen en ik vraag terug. Het is geen uitwisseling van ervaringen maar we zeggen dingen tegen elkaar die ik nog niet eerder bedacht.

Hij herinnert me aan een oefening die ik deed toen ik op mijn cursus intuïtie zat. Ik vind het nog steeds raar dat je daarvoor op cursus kan, maar het was geweldig. Het heeft me zo veel geleerd. De oefening was zo simpel: je concentreerde je op jezelf: je wist wie je was, je was geaard (daar hadden we al lang op geoefend, het is een fijn gevoel). Dan hield iemand een kussen omhoog en zei tegen je: “dit is een stoel”. Op dat moment voel je diep van binnen zo ontzettend duidelijk dat het niet waar is wat de ander zegt, ook al zegt ze het met zoveel overtuiging. Het herkennen van onwaarheden gebruik ik op vakantie de hele tijd. Niet altijd heel bewust, maar het helpt me.

Ik ben me iets bewuster van wat ik nodig heb: gezelschap? Dan hoef ik niet al te lang na te denken, ik zit al in de trein op weg naar nieuwe vrienden. Als ik die Fietser tegenkom dan hoef ik geen lijstje te maken met voor- en nadelen om te weten of het een goed idee is. Ik voel het. Ik voel in mijn hele lijf: “ja”. Was mijn geld gestolen uit mijn geheime opbergvakje? Ik sluit mijn ogen en ik weet zeker: “het zit niet meer in het vakje waar ik het instopte maar het is niet weg.” Vreemd, maar de zekerheid die ik voel als ik me zoiets afvraag is zó helder. En de volgende dag als ik aan het hardlopen ben (met de politieagent) herinner ik me dat ik eerst dat ene vakje wilde gebruiken, maar dat ik daarna mijn reservegeld in mijn bandenplaksetje heb opgeborgen. Het is niet weg. Mijn intuïtie is een fijne raadgever. En daar luister ik naar.

Onder aan de berg, het is al helemaal donker, we zijn bijna bij onze geketende fietsen, staan we te kussen. “Oh ooh” denk ik.

We zigzaggen terug naar het centrum, op zoek naar dat Indiase eethuis dat ik gisteren passeerde. Ik heb niet goed onthouden waar het is, dus we fietsen lang met honger en verkeerd en zien de wasserette waar we elkaar ontmoetten een paar keer. Tegenover het fruitstalletje waar ik aardbeien kocht die ik hem aanbood, waarvan hij de kleinste koos, staan we stil, midden tussen razend verkeer staan we te kussen.

Ik typ gewoon zomaar “kussen” maar het is geen gewoon kussen. Het is een zacht samenzijn dat zo goed voelt, waar je niet meer mee wilt stoppen. Je wilt eten overslaan en je hoeft niet per se kleren van elkaar af te rukken, je wilt gewoon alleen maar kussen. De tijd stil zetten en voor altijd zacht en warm, dan maar voor altijd honger, als je maar voor altijd. Alleen maar dat zachte, terwijl je de ander ruikt.

Nou, ja, ik was dus voor hem gevallen.