tegen een berg opzien (dag 22)

 

deel 1/2 |  Finale – Caccamo  | fiets 59,7 km | wandelen 2,7 km  | zaterdag 4 februari 2017

Vandaag moet ik aan het einde een berg op. De hele dag ben ik me er bewust van: straks moet ik nog omhoog. Ik vergeet het even en herinner me dan weer: aan het einde van vandaag moet ik nog 7 kilometer omhoog. De verwachte stijging is vergelijkbaar met die van eergisteren, samen met de fietser. En op het einde van die dag, was ik best moe. Maar ik denk: kom op, kunde best.

Eerst maar eens ontbijten. Ik ben me nog aan het aankleden en mijn tassen aan het inpakken als de eigenaar van de b&b met het door mij afgedwongen ontbijt naar de keuken loopt. Ik ben nog niet klaar. Hij roept net zo lang totdat ik kom. Top. Mijn humeur was al zo goed. Later gaat hij aan de deur rammelen als ik zit te plassen. Ook al zo fijn.

Het ontbijt bestaat uit beschuiten met Nutella, abrikozenjam en koekjes, espresso en warme melk. En mijn eigen havermout.

 

Ik ben nog altijd aan het mokken over de Dokter. En het is geen makkelijke dag. Ik fiets uuuuren uuurren langs een autoweg, het uitzicht is vreselijk. Het waait hard. Al die uren heb ik tegenwind.

Ik besluit een pitstop te maken in een waterpark, even van de glijbaan. Het waait vandaag wel, maar de zon schijnt ook, een soort van. Uiteraard is het waterpark gesloten: laagseizoen.

Uuuuuren rechtdoor en als ik dan eindelijk rechtsaf mag, gaat de weg  over in een hobbelweg. De hobbelweg hobbelt onder een brug door maar Anja zegt dat ik vóór de brug naar links moet en dat kan niet Anjaaaa. Ik hobbel weer terug, terug naar die stomme weg, weer rechtdoor. Ik mag weer rechts van Anja, nu is de weg niet hobbelig. Ik zie wel een ander wegje dat ik net ook zag aftakken van de hobbelweg, een mooi wegje waarop ik óók had kunnen fietsen, als ik daar toen was ingeslagen. Perfect hoor. Top.

Kijk ik ben boos. Hier is mijn gezicht ook nog niet stuk.

Ik bedenk formuleringen, schrijf opstellen in mijn hoofd aan de Dokter, roep mezelf tot de orde: stel je niet zo aan. Leven en laten leven hoor, snoes. En zonder dat ik er erg in heb ben ik dan even later weer een gesprek met de Dokter aan het overdenken.

Ik stuit op een bord in de strekking: “de weg houdt hier zo op. Je zoekt het maar uit”. Ik heb zo’n bord eerder genegeerd, met als resultaat dat ik twee keer langs blaffende honden moest fietsen en een uitstapje van 14 kilometer maakte dat ik best had willen missen.

Maar Anja zegt dat die afgesloten weg de enige manier is om te komen waar ik wezen wil, namelijk bij die enorme hoge berg, die je achter het bord ziet. Waar ik als een berg tegenop zie. Ha, ik snap ‘m!

Ik fiets tóch door.

De weg houdt echt op. En nóg fiets ik door.

Ik sleep mijn fiets door het zand. De weg kan wel ophouden, maar ik niet.

Ik duw mijn zware fiets door het logge zand, dwars door een bouwput, tot ik uitkom bij een vangrail waar riet welig tiert. Ik probeer mijn fiets dwars door het riet te duwen, maar dat gaat dus niet. Zelfs niet als ik gewoon heel hard door blijf duwen. Mijn fiets zit bijna vast. Ik wil hem losrukken en buk naar beneden om een vastzittend stuk riet los te worstelen. Ik buts met mijn gezicht tegen een geknakte stengel, net onder mijn oog.

Ik wrijf over mijn wang, het voelt vochtig, een rood veegje op mijn hand. “Mooi” denk ik “nu bloed ik ook van buiten”. Ik voel me zó zielig nu.

Ik til mijn tassen eerst en dan mijn fiets zonder bagage over de vangrail. Ik moet nog ver en fiets bloedend met een kuthumeur verder. Ik zie op tegen die berg, maar weet inmiddels hoe een berg werkt: gewoon doorfietsen.

Onderaan de berg. Ik weet dat ik die berg op moet. Ik heb een lieflijk appartementje met bad gevonden via airbnb in Caccamo. Een kasteeldorp boven op een berg. Het kost maar €20, de helft van wat alles onderaan de berg kost.

Nou daar gaan we.

Meteen recht omhoog, het is veel steiler dan ik aankan. Dat mijn humeur slecht is, helpt niet mee. Ik doe echt mijn best om het hoopje chagrijn dat ik vandaag ben bergop te praten. Ik ben lief voor mezelf. Geef mezelf ook chocola’tjes onderweg. Ik rust zo vaak als ik wil. Ik stel mezelf gerust: “het is pas vroeg, je hebt nog 2 uur om de berg op te komen, dan pas is het donker”.

Maar het gaat heel langzaam want het is écht veel steiler dan alles wat ik tot nu toe heb gefietst. De meeste stukken doe ik lopend. Ik duw mijn fiets naar boven en moet om de 10 minuten rusten omdat het zo steil en zwaar is. Ik hoop steeds dat het minder zwaar wordt. Ik denk aan dat bad, dat bad, dat bad waar ik straks in lig. Ik heb nog genoeg daglichttijd om er te komen. Ik zet zelfs een podcast op, om me af te leiden van het geklim.

Ik luister gewoonlijk niet naar audioboeken of podcasts terwijl ik fiets. Ik wil zijn waar ik ben. Als ik luister ben ik afgeleid van waar ik ben en dat is zo zonde. Maar nu wil ik afgeleid worden.

Ik eet nog maar weer een chocola’tje en loop verder, het is zo ver en zo steil. Aaargh. Nee, lief doen. Het komt goed, gewoon doorlopen dan kom je er. Hele kleine stukjes fietsen, maar mijn benen zijn zo zwaar dan en het is zo steil. Oké, dat dus!

Niemand helpt me, ik wil hulp! Als ik na een heel klein stukje weer een weg zie die zo steil is dat ik weer zal moeten afstappen, sms ik de appartementeigenaar of hij me met de auto kan komen halen. Zo moedeloos ben ik geworden. Ik vraag écht niet graag om hulp maar ik kan echt niet nog verder lopen.

Het duurt even voor de appartementeigenaar reageert. Tegen die tijd heb ik al een nieuwe route gevonden. Stomme Anja. Stuurt me zo een berg op terwijl ik ook de weg van de auto’s kan volgen. Die gaat omhoog, maar is niet al te steil. Zo fiets ik verder. Nu gaat het wel. “Nee, nee, hoor het gaat toch wel” sms ik de appartementeigenaar wanneer hij vraagt waar ik ben.

En dan, want zo gaat het, dan ben ik er ineens. Dan is er een bordje met Caccamo. Een prachtig bergdorp met een kasteel. Een last valt van mijn schouders. Wat een fucking fijn dorp is dit. Meteen zijn er mensen die me willen helpen het adres te vinden, waar ik me kan melden om de sleutel te krijgen voor mijn appartement. Ik zie een exentriekeling. Nog meer mensen willen me helpen. Er is een terrasje. Alles is mooi en oud.

Jeetje. Ik ben op de berg. Die berg waar ik zo als die berg tegenop zag en nu ben ik hier en alles is goed, meteen. Want de berg was dus inderdaad precies zoals ik vermoedde: heel zwaar om te beklimmen, maar als ik gewoon doorging, dan kwam ik bovenaan.

← Previous post

Next post →

1 Comment

  1. Diepe buiging en petje af voor zoveel doorzettingsvermogen !

Geef een reactie