deel 3/3  | Pompeï-Salerno | fiets: 35,6 km |  hardlopen: 5,8 km | wandelen 3 km | paardrijden 5 km |  dinsdag 17 januari 2017

(Ik ging “Fietsend van Napels naar Palermo”. Lees alle verhalen vanaf hier, of koop mijn eBook en lees alles op je eReader)

Mijn regenbroekje is supercool. Een soort tuigje, dat alleen mijn bovenbenen bedekt, je klikt het vast tussen je benen. Ik voel me er een soort SM-prinses in. Dat maakt regen nog een beetje leuk.

Nu de regen de lucht uit dendert moet ik me goed kleden. Ik ga niet wachten tot de regen voorbij is, daar heb ik geen tijd voor. Ik trek dus mijn gekke regenbroekje aan. Mijn schoenbeschermers. Mijn oranje regenjack met een flinke rode-wijnvlek op het rechter voorpand. Als mensen me ernaar vragen, ben ik altijd vaag over de leeftijd van die vlek. Ik insinueer dat het een recente ongeluk is, benadruk vooral dat ik dol ben op rode wijn, want dat is altijd goed om zo snel mogelijk over te brengen. De vlek zit er al ruim een jaar in. Ik had voor deze reis een goed wind- en regenjack nodig en dit was het beste dat ik had, zelfs met die vlek. Ik blijf er warm in en regenvrij, maar ik zweet er enorm in wanneer ik bergop moet fietsen want het jack ademt voor geen meter.

Mijn rugzak is vastgespind op de bagagedrager. Ze is afgeschermd met de flightbag die ik gebruik om al mijn losse tassen in te doen tijdens de vliegreis. Fantastisch ingepakt vertrek ik.

Het regent. Heel lang niet hard. Dan regent het even heel hard en ik stop bij een caffetteria om te wachten tot het minder wordt. Ik bestel een americano. Zo moet ik de aangelengde espresso die wij koffie noemen -die ze hier nooit drinken- bestellen. De barkeeper heeft geen idee wat ik wil. “Espresso i aqua” probeer ik, maar het helpt niet. Ik gebaar “groter” en krijg een driedubbele espresso en een glaasje water. Ik laat het maar zo. Vanaf nu bestel ik overal caffè en we lullen nergens meer over. Ik drink voortaan een genadeloos sterk bodempje koffie met een plastic bekertje water erbij. When in Rome..

De barman wil met me kletsen maar we spreken elkaars taal niet. We zitten, zwijgen. Ik drup na op de vloer. Een van de gasten die na me binnenkomt, heeft het met me te doen. Ik krijg een telefoon in mijn handen gedrukt: “luisteren!” gebaren ze. “Do you need help??” vraagt de stem aan de andere kant van de lijn. Ik zeg snel “no!” en geef de telefoon terug. Pff, ik heb toch geen hulp nodig! Ik ben hier verdorie in m’n eentje door het halve land aan het fietsen, zie ik eruit alsof ik hulp nodig heb?

Ja dus, want het zeikt van de regen en alleen zottekes gaan nu fietsen. Ik trek mijn drie mutsen (van ondertrui, vest en jack) weer over mijn hoofd, constateer dat het nog altijd niet minder hard regent. En fiets verder.

Ik bikkel verder richting Salerno. Het is nog niet laat, dus ik kan best nog even verder fietsen. Maar het is zo nat. Salerno ligt aan de zee, helemaal onderaan de berg die ik de afgelopen kilometers beklom. Zacht klimmen is met dit weer niet zo erg: het houdt je warm, maar dalen daarentegen.. daar krijg je het heel, heel koud van want je beweegt niet meer.

Ik daal misschien wel twintig minuten. Onderaan de berg ben ik doorweekt, geen regenkleding helpt tegen deze zeikende regen. Het stilzitten heeft me zo afgekoeld dat ik niet zo goed meer kan nadenken.

Ik tover een natte glimlach op mijn gezicht als ik het bordje Salerno zie. Dit is het, dit is mijn eindstad van vandaag, besluit ik terstond.

Ik fiets door de natte straten langs de zee bij Salerno, verwacht eenvoudig een hotel te vinden, maar ik zie er geen een. Ik fiets maar wat rond, krijg zo’n honger. Ik heb het zo koud. Ik sterk mezelf aan met een van de fantastische mueslirepen die ik tegen appelflauwtes en ander ongemak heb meegenomen.

Op mijn navigatie-app zie ik een B&B. Ik fiets er heen. Er is daar niets. Ik moet nu hulp gaan vragen, maar als ik moe ben en hongerig en koud en een tikkeltje zielig, dan ben ik daar slecht in. Toch overwin ik mijn eigen onhebbelijkheid want ik moet iets en ik kan niet in de regen blijven bibberen op mijn fietsie.

Ik schiet een vrouw met een zoontje aan. Ook wij spreken elkaars taal niet (ik blijf het er nu nog even bij zeggen, maar straks niet meer, dan vertel ik het alleen nog als mensen me wel verstaan, want dat is een grotere uitzondering dan andersom). Toch begrijpt ze wat ik wil. Ze zegt: “laat die fiets hier staan” en ik kijk zo van “euh ja dat is dus echt geen optie chick” en zij kijkt zo van “ja maar hoe moet ik je dan uitleggen waar het is”.

Het is een tijdje stil terwijl ze heel zichtbaar staat na te denken en ik kan echt niks meer opperen, of bedenken, ik laat haar lekker peinzen. Dan gebaart ze: “volg mijn auto maar”.

Zo hard als ik kan, fiets ik achter haar aan. Ze stopt bij een gebouw dat er totaal niet uitziet als een hotel of B&B. Ze zegt: “ik heb er nooit geslapen maar het is in elk geval een B&B” en vertrekt met een glimlach.

Ik bel er aan, mag druipend binnenkomen maar moet van de portier wachten in de hal tot mijn gastheer thuiskomt, wat ‘ie na tien minuten doet. Ik ben tot op het bot verkleumd en hij en de portier en een meisje dat Engels spreekt stellen in allerlei talen allerlei vragen aan me, zoals waar ik die stomme (hun woorden!), natte fiets straks ga zetten en ik denk alleen maar: “ik wil warm douchen”. Dus ik zeg dat, dat ik pas weer kan nadenken na een douche. Ze snappen het niet helemaal. Begrijpelijk want niemand van hen heeft ooit dertig kilometer door de regen gefietst. Ik kan me niet voorstellen dat zij ooit zo nat zijn geweest als ik nu ben.

Massimo, “Max”, de direttore van de B&B laat me de kamer zien, vertelt me de kosten, laat me de douche zien, geeft me thee, geeft me een adres van een pizzeria. Maar ik wil geen pizza.

Al onze gesprekken gaan via een vertaal-app want we spreken elkaars taal niet hè, ik zeg het toch nog even.

Hij raadt me een ander restaurant aan, stelt dan voor om samen te eten. Eerlijk gezegd: ik heb er geen zin in, maar ik denk zo: ik ben hier nu. Morgen ben ik elders. Ik kan wel in mijn eentje gaan zoeken naar een goeie plek maar ik kan me ook door een local laten meenemen.

We wandelen door de straten van Salerno, onder een paraplu. We stallen mijn fiets in een garage want die mag echt niet in de gang blijven staan. We eten kroketten en frietjes, dat is het voorgerecht, dan eten we een pasta met nauwelijks saus, zoals ze die hier eten. Of ik nog een toetje wil? Ik barst bijna uit mijn sportbroek!

Wat ik direct aanvoelde, maar niet meteen onder woorden kon brengen, verklaart mijn eerdere aarzeling met hem te gaan eten: hij wil me versieren. Ik voel me er ongemakkelijk bij en ik vind het stom dat ik me er ongemakkelijk bij voel. Ook al wil hij me versieren dan hoef ik me daar toch niet stom bij te voelen?

In zijn auto’tje rijdt hij me door de stad. Hij laat me een lichtkunstwerkbos zien.

Het filmpje is van een ander jaar, maar de kunstwerken zijn vergelijkbaar. Er zijn natuurlijk helemaal geen andere mensen als wij er zijn want het regent en we zijn er buiten het seizoen. Zoals ik overal buiten het seizoen zal zijn: als ik er kom, is er niemand. Ik kan me er niet druk over maken want het is zo. Er is niets aan te veranderen. Ik ben op een raar moment hier in Italië. Het moment dat de meeste andere reizigers er niet zijn.

Een beetje ongemakkelijk bij de deur van mijn kamer nemen we afscheid. Ik hou hem af en verheug me niet op het ontbijt waar ik hem dan weer ga zien en hij weer om me heen zal gaan drentelen.

Het is een nadeel van alleen reizen dat sommige mensen denken dat je daardoor ook beschikbaar bent voor hun avances. Gelukkig is het relatief gemakkelijk om nee te zeggen of te negeren, zoals hier. Ik blijf beleefd, maar houd voet bij stuk. Later in mijn reis ben ik wat minder beleefd, als iemand voorstelt om seks te hebben in zijn DHL-bus. Je moet je onbeleefdheid zo nu en dan tactisch inzetten, als je alleen reist.

Het grootste gedeelte van mijn reis voel ik me wel op mijn gemak en geniet ik met volle teugen van Italianen die flirten zoals ik nog nooit heb meegemaakt. Eenmaal terug in Nederland, waar flirten alleen door gerenomeerde antropologen kan worden waargenomen, mis ik het. De verlangende donkere blikken overal. Niemand roept er zomaar: “Ciao, bella” als je voorbij fietst.