deel 2/2  | Napoli-Pompeï  | fiets 27,7 km |  hardlopen 1,1 km | wandelen 12,2 km | maandag 16 januari 2017

Ik heb maar twee uur om Pompeï te bekijken en Pompeï is groot. Ik snelwandel door de straten. Ik ga zelfs stukken hardlopen om uiterste hoeken te kunnen bekijken. Ik zie veel van hetzelfde, oude resten waar ik de verhalen niet van ken. Ik zou een gids willen, maar de gidsen gidsen maar twee keer per dag en ik heb ze net gemist.

Ik ben rusteloos, geïrriteerd en een beetje verdrietig. Ik was op de fiets in een tophumeur, maar bij aankomst appte ik een jongen met wie ik een paar keer had gedate in Nederland. Hij had me vlak voor vertrek een hand gegeven, veel plezier gewenst, een stap terug genomen, me intens aangekeken, hij kon zich niet inhouden en kuste me. En oh! Wat konden wij kussen, dat wist ik al. Het leukst vond ik het om ’s ochtends, mat en murw na een nacht dansen met hem op de bank te liggen, naar muziek te luisten en kracht te verzamelen om weer op staan. Ik voelde me tot hem aangetrokken omdat we ’s ochtends een eenvoudige gemoedelijkheid deelden die ik meer miste dan ik me eerder had gerealiseerd. Wat het zo kort voor hem betekende weet ik niet, want over zulks praten deden we niet.

Hem appte ik. Zijn reactie was onbevredigend en mijn goede humeur verdween als inwoners onder een vulkaanuitbarsting.   

Dan ren ik naar een rij met bomen. Ik weet niet precies wat er daar met me gebeurt. Het zijn zulke mooie, oude bomen, deze gang is zo mooi, het grijpt me aan. Een paar tranen stromen over mijn wangen en ik adem diep want ik ga hier toch niet in mijn eentje staan janken onder de bomen, maar ik huil toch.

Dan loop/ren ik opgelucht verder. Zoek in deze verlaten stad parken op en bomen, tuinen en natuur. Ik besef: hier leefden mensen. Ik wil weten hoe het ook al weer precies zat hier, wat er precies gebeurd is. Als ik thuis ben, neem ik me voor, ga ik een documentaire kijken over deze stad. Twintig minuten voor sluitingstijd, vind ik een bezoekerscentrum met een video over Pompeï, dat is perfect.

Terug op de camping is het tijd geworden om te douchen. Het is inmiddels ijskoud buiten. Het douchegebouw is helemaal voor mij alleen en op twintig meter van mijn tentje. Het is een onverwarmde, open constructie. Ik zet harde muziek op als ik ga douchen en motiveer mezelf: kou is een gevoel, het is tijdelijk. Kom op. Ik leg mijn telefoon/navigatiesysteem/stereotoren in de oplader. Met de deur open sta ik te douchen. Luid zingend. Er is toch niemand hier.

Het moeilijkst is het dichtdraaien van de kraan. Maar ik doe het want ik kan niet blijven douchen. Ik huppel en spring terwijl ik me afdroog en kleed me aan. Ik heb het niet echt koud. Deze kou kan wel een probleempje gaan vormen voor mijn overnachtigsplan. Ik wilde namelijk regelmatig kamperen maar als het zo kou is en het is ook al donker, dan is dat best pittig. Nou ja, we zien wel.

Het is inmiddels bijna zes uur en ik begin honger te krijgen, dus ik pak mijn inmiddels lichte fiets. Zonder al die troep die ik meezeul is het veel makkelijker fietsen. Ik fiets naar daar waar ik het centrum vermoed. Ik mag niet te lang doen over het kiezen van een plek, dat is mijn regel, want als ik ga proberen iets heel leuks te vinden als ik honger heb, een plek waar het er gezellig uitziet, waar ze goed en goed geprijsd eten op de kaart hebben, liefst gerechten met groenten, dan blijf ik rondjes fietsen en vind ik nooit die ene goede plek. Het devies: gewoon iets vinden en hup naar binnen.

Zo zit ik nu in een Amerikaans Restaurant. Na twee pizza’s wil ik wel weer eens wat anders.

Ik ben de enige gast. Er staat nog feestmuziek op. Het personeel bereidt zich voor op een avond werken, en ik, de Hollander die ik ben, ben de allereerste. Wie eet er nou om 18.00 uur al? Niemand in Italië. Die zijn nu allemaal elders aan het relaxen voor het eten.

“De keuken is nog niet open”, zegt de barvrouw. Ik nestel me heerlijk in het warmer-dan-buiten-restaurant. Ik ben al een beetje slap en sloom van de honger en bestel voor straks als de kok er klaar voor is een grote hamburger met een ei erop. Daarna lees ik hoe het verder gaat met de kunstenares in het afgelegen huis in het bos. Ze schildert anatomische tekeningen voor wachtkamers van dokters en ze heeft een duister verleden.

Mijn hamburger arriveert. Oh, die hamburger. Het is ongelooflijk hoe lekker die hamburger is. Ik zit alleen aan een tafel en probeer zo zachtjes mogelijk te kreunen van genot. Wat een goeie hamburger is het.

Na het eten schrijf ik nog tot ik weer bij ben. Ik hou alles wat ik doe minutieus bij. Het kan zijn dat ik een gesprekspartner mis, of ik wil alles kunnen teruglezen, of ik wil het beter onthouden. Mijn motivatie is me onduidelijk, maar ik doe het. Elke dag beschrijf ik, uren kriebel ik in mijn notitieboek.