4/4  |  Palermo – Rome – Utrecht | bus 45,1 km | vliegen 2108,9 km | bus 0,5 km |  trein 57,8 km | wandelen 8,8 km | metro 2,2 km | gauto 47,2 km | zondag 12 februari 2017

Voor de tweede keer vandaag, reis ik naar een vliegveld. Nu voorzien van pecorino, perfecte pasta en repen chocola, allemaal héél moeilijk aan te komen in Nederland.

Dit keer heb ik hartstikke veel tijd voor mijn vliegtuig vertrekt en ik ben zeker weten op het goede vliegveld. Ik slenter dus nog langer door de winkeltjes na de douane. Ik heb zin in prosecco (zó Italiaans!) dus ik koop een doosje met drie kleine flesjes. Kijk een hele fles in mijn eentje naar binnen gieten is niet netjes, maar een, of wellicht twee van deze 0,33-literflesjes, dat kan prima.

Ik ben nog even op vakantie, besef ik me. Mijn telefoon ligt aan de oplader. Ik ben lekker in mijn eentje aan het drinken. Ik voel me een vrouw van de wereld. Ik heb nog een uur voordat mijn vliegtuig vliegt.

Een man bukt voor me om zijn telefoon te pakken. Ik kan alleen maar buon giorno fluisteren. Wat een stuk.

Ik zeg iets heel oninteressants tegen hem en kom er al gauw achter dat hij Italiaans geboren is en Nederlands spreekt, hij kok is, een relatie heeft  en het ook belachelijk vindt dat er nu al mensen in de rij staan om het vliegtuig in te mogen.

Misschien wil die meneer ook wel een glaasje, denk ik bij mezelf. En weldra heb ik een prosecco-vriend gemaakt.

Als ik ga toiletteren laat ik al mijn reisbezittingen weer achter bij iemand die ik niet ken. Misschien moet je het land verlaten, zoals je er gekomen bent.

Als ik terug ben zit hij netjes nog op me te wachten (waar moet ‘ie ook heen met mijn kookboek en verse pasta? Zijn koffertje staat bol van zijn eigen voorraad. Oh, hij had natuurlijk d*r*u*g*s in mijn tassen kunnen verstoppen! Niet eens aan gedacht). Nu ik weer zit, slaat hij de laatste slok van zijn flesje naar achter en biedt me nog een fles aan. Ja hoor. Dat wil ik wel. Nu blijf ik achter met zijn koffertje, waar ik ook netjes niet aan kom, terwijl hij ook ergens twee klein flessen prosecco vandaan tovert.

Als ik me verbaast afvraag of we  misschien vertraging hebben omdat ons vliegtuig toch 10 vóór zou vertrekken, en het inmiddels 10 vóór is (prosecco) blijkt dat we nóg een uur hebben. Ik ben echt veel te vroeg dit keer. Gelukkig kan ik in die tijd kletsen met de Kok.

Door alle prosecco slaap ik als een prinses zonder ewrt. Op de arm van de Kok. Hij bleek een hele rij voor zichzelf te hebben en ik zat naast allemaal enge mensen die ik niet kende dus ik verhuisde direct naar zijn rij. En sliep meteen in. In Nederland schrik ik weer wakker van het landen.

Ik kan niet wachten tot mijn tas op de band rolt, tot mijn fiets bij het luik met speciale goederen verschijnt. Oh, mijn fiets! Mijn tere, arme fiets, hoe zou het daarmee zijn?

Achter de ramen zie ik Shammie al! Shammie, die komt me ophalen! Met haar gouden auto, de gauto! De koninklijke, gouden koets waar ik als prinses in mag. Ik wil alles vertellen over mijn vakantie.

Maar eerst moet ik, zonder Reus om al mijn tassen in één hand te dragen. Zonder Mike om mijn fiets te schuiven. Eerst moet ik helemaal alleen proberen al mijn spullen naar de ontvangsthal te krijgen. Geen enkele man biedt aan me te helpen, de douane doet heeeel moeilijk over assisteren, kortom: ik ben weer in het territorium van de Nederlandse man.

Ik sleursleep mijn tas en fiets mee. Krijg bij de gratie gods nog hulp van een andere reizigster. Vijf meter duwt ze mijn fiets vooruit en dan ben ik eindelijk weer herenigt met Shammie, heerlijke gezelligheid, zie foto.

Mijn fiets in ingepakt in plastic. De schade kan ik pas zien als we haar uitpakken. Je gelooft het vast niet, net als ik: ze is ongeschonden uit het vliegtuig gekomen. Alsof er een engeltje op het stuur heeft gezeten. Er is niets mee gebeurd! Niets noemenswaardigs dan, de remkabel zit een beetje los en ik ben een van de ventielen kwijtgeraakt omdat ik die niet in mijn tas heb gestopt, maar los op de fiets had laten zitten. Als dat het enige is. Nice.

De koets brengt me naar huis.
“Hoe was het?”, vraagt Sham.
“Niet in een zin samen te vatten, daar zou ik een boek over kunnen schrijven” (…)
“Verliefd geworden?”
“Eventjes”
“Pech gehad?”
“Niet één lekke band, niet één technisch falen van mijn fiets”
“En nu?”
“Nu moet ik weer wennen aan Nederland. En een boek schrijven. En mijn was doen.”

Soms kom je thuis en denk je: nou ook wel weer lekker om weer thuis te zijn. Dat heb ik helemaal niet. Ik wil meteen weer terug. Gelukkig mag ik meteen beginnen met het beschrijven van mijn hele vakantie en zo alles nog eens dunnetjes overdoen.