deel 1/1 |  Fiummefreddo – Lenzi | fiets 49,3 | donderdag 26 januari 2017

Denis drentelt om me heen. Demonstratief en met het gevoel een vuile verspiller te zijn, giet ik de kookwijn die ik nog heb weg. Hij schenkt een plastic waterflesje vol met vaderwijn. Ik doe de tuinbonen van de moeder van Denis, die nog over zijn van gisteren, in een ziplock. Ik krijg een aantal crêpes van zijn moeder mee die zich voordoen als cannelloni, ook in een ziplock. Van de Uien heb ik een worst gekregen. Ik mag hier absoluut niet weg zonder eten.

Ik neem afscheid van mijn nieuwe vrienden. Niet met een zwaar hart, juist met een  heerlijk gevoel van dankbaarheid dat deze mensen zomaar op mijn pad kwamen en mijn vrienden werden. Oh, ik ga weer fietsen! Wat heerlijk! Was ik vandaag gebleven dan had ik weer meegekund naar Cosenza, naar het optreden en vast allerlei nieuwe avonturen, maar ik wil weer fietsen. Ik moet doorrrrr.

De zon schijnt, ik lunch wat in een olijfboomgaard in de zon. Zo’n mooi weer is het doorgaans niet, ik ben “het regent niet” als een aanduiding voor een goeie dag gaan zien, maar met de zon is alles fijner. Ik eet mijn crèpes in de zon, ik kan me niet voorstellen dat ze ergens anders zo goed hadden kunnen smaken. De honger die je van fietsen krijgt, is zo goed.

Ik passeer een wit hondenkoppel. Een van hen blaft me woest toe, “ze doen niks” fluister ik. En ze doen niks. De weg is rustig en er ligt steeds meer afval langs de weg. Dat is Italië. Wat een troep ligt er overal! Een kilometer of twee verderop moet ik een grote rivier oversteken, over een grote brug. Maar er is niets. Er is het einde van een weg, een groot gapend ontbreken en dan weer een einde van een weg, helemaal aan de andere kant van de enorme rivier.

Daar verwachtte ik een brug

Ik zie nergens een andere brug dus ik keer maar om. Lekker weer langs de blaffende hond, die nu zelfs een stukje blaffend met me meerent om me verder weg te blaffen. Ik weet nu: ze doen niks, de honden. Ze blaffen wel maar ze doen niks.

Ik fiets uren op de autoweg. Ik zie sekswerkers op stoelen zitten, wachtend op klanten. Ik zie een auto die knippert met zijn lichten, wat ik opvat als aanmoediging, maar tot mijn verbazing rijdt de auto me later voorbij, een pechstrook op en stopt. Ik gok dat deze sneue, oude man me een ongepast voorstel wil doen, dus ik fiets verder, met een gebaar dat hem hopelijk duidelijk maakt dat hij een teringlijer is omdat ‘ie het vraagt.

Ik heb een hotel geboekt. Het heet Pino en is helemaal geel aan de buitenkant. Het is een echt hotel met een lobby en een hotel entree en kleine zeepjes in de badkamer en alle andere hotelclichés (behalve dan andere gasten, laagseizoen). Ik vind het wel eens leuk, na al die B&B’s die zijn wat minder formeel en chique.

Heerlijk! Ik dans de kamer door.

Mijn benen zitten onder de rode uitslag. Komt het door de zwavel, van het fietsen, van de “eczeem” die ik volgens de dermatoloog al een tijdje heb? Ik weet het niet. Bij de plaatselijke apotheek haal ik een paar tubes met crème.

Bij de plaatselijke Marokkaanse supermarkt haal ik zoveel groenten en fruit als ik denk op te kunnen. Ik maak een salade met de bonen van de moeder van Denis en tonijn. En eet hem op in bed, terwijl ik Netflix kijk. Ik ben zo’n modelgast!