deel 1/1 |  Vibo Valentia – Rosarno  | fiets 43,1 | zaterdag 28 jan 2017

Gisteren moest ik die hele berg op, vandaag mag ik die hele berg af. Ik verheug me op een rustige dag met veel gedaal.

Bij het ontbijt ontmoet ik een van de andere gasten in de B&B, een pianist met straalblauwe ogen: Nazareno. Hij is hier gastdocent, hem hoorde ik gisteren op de gang. Hij en de andere B&B-gast zijn wat gaan eten in het centrum. Wat jammer dat ik ze gemist heb toen. We kletsen even en wisselen contactgegevens uit. Hij kijkt me heel zwoel aan. Tussen ons knettert seksuele spanning. Ik verwacht half dat hij me zo dadelijk over de ontbijttafel gaat kussen en me daarna mee naar zijn kamer sleept, maar hij moet op tijd zijn om les te geven. Hij vertelt dat ‘ie de hele wereld over reist en ik beloof hem mijn bank als logeerplek als hij een keer in Nederland is.

Klaar voor de start. In mijn windjack zit een grote rode-wijnvlek.

 

De uitslag op mijn bovenbenen is nu bijna weg. Ik smeer ’s avonds met de zalf van de apotheek en ’s ochtends met zonnebrand. Ik vermoed dat ze door mijn sportlegging heen verbrandden, onder mijn zeembroekje zit namelijk geen uitslag, daar was het dubbel bedekt. Ook weer opgelost!

Mijn fiets sliep met mij op de hotelkamer, nu gaan we weer een minilift in. Beneden klik ik de fietstassen weer op de bagagedrager. Daar ga ik weer.

Op een markt zie ik een sexy, rode feestjurk hangen met een randje diamanten onder de boezem. Prachtig. Ik pas ‘m en hij past precies. Voor € 10 heb ik eindelijk wat gezelligs om aan te trekken als ik ’s avonds op pad ga.

Mijn benen voelen de hele ochtend zwaar aan. Ik ben niet vooruit te branden. Ik pomp mijn banden ergens op, dat helpt even maar het fietsen gaat niet. Ik kom niet vooruit. Ik voel me moe, ik wil zo graag uitrusten. Slapen. Ik ben lamlendig joh. Ik eet ergens in een weiland een broodje tonijn en hijs me uitgeput weer op de fiets.

Ik ben gisteren vergeten mijn reservebatterij op te laden. Nu moet ik zo veel mogelijk van mijn pauze’tjes op plekken met stroom houden. Ik drink in het gat Nicotera een caffè terwijl mijn batterij zich traag oplaadt.

Ik heb het koud en ik ben narrig. Het verwachte dalen dat ik vandaag de hele dag zou doen, valt tegen. Ik heb veel meer moeten trappen dan ik dacht. Na Nicotera stort de weg ineens naar beneden. Een daling die zó steil is dat ik af moet stappen omdat ik mijn remmen wil ontlasten. Met gillende remmen rol ik het laatste stukje naar beneden. Dan fiets ik kilometers door sinaasappelboomgaarden. Vrachtwagens vol oranje fruit denderen me voorbij.

Ik ben nog altijd zo moe. In een dorpje stort ik in een koffiezaakje op een stoel, laad mijn batterij op en besluit: ik ben klaar voor vandaag. Ik moet nú stoppen.

Ik vind een Airbnb-appartement in de buurt. De eigenaresse reageert meteen op mijn slaapverzoek. Het leek om de hoek van koffiezaak te zijn, maar het is veel verder weg dan ik nu psycho-emotioneel aankan. Het communiceren met de gastvrouw gaat lastig. Ze spreekt alleen Italiaans en ik begin inmiddels zo vermoeid te raken dat ik het niet kan opbrengen om haar teksten steeds te vertalen in de vertaal app. Ik raak een beetje over mijn toeren.

Ik ben moe en ik wil nu rusten en douchen. Al mijn batterijen zijn bijna leeg: die van mijn mobiele batterij, van mijn reservebatterij alsook mijn interne batterij. Alles op. Ik fiets langs een enorm bedrijventerrein, helemaal niet mooi. Ik fiets in de richting van waar ik het appartement vermoed, maar daar vind ik de straat niet. Op mijn telefoon probeer ik het adres te vinden, alle batterij schreeuwen: “we zijn bijna leeg”.

Dan stopt er een auto’tje met twee vrouwen en een grote kachel achterin: “Sannie??” zegt de bestuurster. Het zijn mijn gastvrouwen. Ze rijden voor me uit naar het huisje. Het is heel ver fietsen. Ik had moeten vragen hoe ver. Ik raak nu echt over mijn toeren. Ik ben op. Ik wil niet meer. Zelfs al weet ik dat het goed komt, dat ik binnen een uur onder een douche sta, het gaat niet meer. De tranen stromen over mijn wangen en ik voel me ontzettend zielig. Ik hef mijn hand op en roep naar de auto: “hoe ver is het *&(*±§?@!* nog?”. Het was echt veel verder dan ik dacht, oké slechts zeven kilometers, maar zeven hele zware kilometers.

Uiteraard zie ik achteraf ook dat ik buitenproportioneel aan het reageren was, maar op dat moment zat ik er zo diep in, dat ik het niet meer zag voor wat het was: vermoeidheid gecombineerd met een naderende ongesteldheid.

Zodra ik hardop mijn frustratie heb geuit, gaat het knipperlicht van de auto naar links. We zijn er. We zijn bij een huisje met ganzen en kippen, dichtbij een provinciale weg, omringd door mandarijnen- en sinaasappelbomen. Ik veeg gegeneerd de tranen van mijn gezicht. “Ik ben heel heel moe” zeg ik maar. De inrichting is ouderwets en krakkemikkig: ben ik dol op. Hier woon ik vanavond alleen. Er is een houtkachel.

De gastvrouw en haar dochter leiden me rond, leggen me uit hoe dingen werken. Ze gieten wat koffie in me, steken het haardvuur aan. De dochter spreekt een beetje Engels. Ze neemt me mee naar de buurman, die heeft een supermarktje. De buurman praat zonder zich iets aan te trekken van onze taalbarrière. Hij laat me zien hoe ik op de bel moet drukken als de deur op slot zit. Ik koop knakworsten en chocolade. Mijn gastvrouwen vertrekken.

Ik haal maar even diep adem, ik weet anders ook niet wat ik moet doen om weer een beetje bij te komen. Ik bak mijn knakworsten. Ik lees wat en maak plannen voor morgen. Ik ga weinig doen en heel lief voor mezelf zijn. Ik hoef maar zes kilometer naar de trein te fietsen, die brengt me naar de veerboot, die me naar Sicilië vaart.

Natuurlijk wil ik liever alles fietsen, ook dit laatste stukje op het vaste land maar er zit even niks meer in het potje. Ik moet zelf zorgen dat het leuk blijft en als ik morgen weer vijftig kilometer ga fietsen en daarna nog met een veerboot moet, dan wordt het zeker niet leuk.