deel 2/3 |  Oliveri – Vallebruca-Iria  | fiets 52,4 km | trein 8,4 | wandelen 5,0 km | auto 31,5 km | donderdag 2 februari 2017

Hoe treinkaartjes en fietstreinkaartjes werken in Italie:
Je kunt online een treinkaartje kopen voor een mens, maar niet voor een fiets. Je kunt in een automaat beide kaartjes kopen maar op kleinere stations zijn geen automaten. Je kunt beide kaartjes ook in de trein kopen, maar dan zijn ze iets duurder.

Ik heb een online mensvervoersbewijs, geen fietsvervoersbewijs. Voor mijn fiets heb ik geen treinkaartje gekocht want er was geen automaat. Ik schouderophaal en ben er vast van overtuigd dat de conducteur me er geen boete voor gaat geven. Om drie redenen:

1. ervaring: naar Cosenza reed ik ook zonder fietskaartje. Ik legde aan de conducteur uit dat er geen automaat was, hij zei: ‘oké’ en liep door.

2. mijn nieuw aangenomen Italiaanse houding: als ter plekke blijkt dat het anders moet dan de regels voorschrijven, dan doe je het anders.

3. onderbuikgevoel. Het is sterk, het is mijn reis aan het sturen.

Deze conducteur wil me tóch een duurder fietstreinticket verkopen. Ik weiger. Niet boos of geïrriteerd, maar ik leg hem een paar keer rustig uit dat ik best een kaartje wílde kopen, maar dat het niet kón, dat er sprake was van overmacht, dat ik straks bij mijn overstap een kaartje ga kopen. Na een tijdje hetzelfde te hebben uitgelegd laat hij me fietstreinkaartjeloos verder reizen.

Bij mijn overstap in Patti koop ik netjes een kaartje bij de automaat. Ik heb er even de tijd, ik praat wat over koetjes-en-kalfjes in het kleine beetje koetjes-en-kalfjes Italiaans dat ik spreek met een zakenman totdat hij iets racistisch zegt en ik daar zo van schrik dat ik wegloop in plaats van een dialoog aan te gaan.

Dan. Zie ik. Twee Vrouwen. Lopen. Ze zien er Nederlands uit! Ze zijn Nederlands! Heel even kletsen we. Wat zij doen (richting de Etna om te wandelen) wat ik doe (dat weet je nu toch wel). Wat fijn! Om zomaar leuke mensen te zien en dan zomaar te kunnen kletsen.

Ik trein naar Gioiosa Marea, stap uit en ik fiets lekker verder. Eindelijk weer fietsen. Tussen Gioiosa en Brolo fiets je langs het water, zo mooi. Links een hoge berg waar je niet overheen fietst, rechts de zee.

Ergens onderweg eet een Nutella-schepijsje (rechts melk-ijs dat ook lekker is maar het Nutella-ijs won). Ik ben luidop aan het genieten. Ondertussen laadt mijn telefoon op bij de kassa. Ik stel de dokter op de hoogte van de kwaliteit van mijn ijs, hij is nu in Rome pasta aan het eten. Ik bel met een hotel in Sant’Agata di Militello Marina  en reserveer een kamer.

Ik stap weer op de fiets. Ben pas even onderweg als ik een fietser passeer met een stuurtas.

Er is een universele regel die maakt dat je verwantschap voelt met vreemden die in een (voor jou) betekenisvol detail met je overeenkomen. Bij andere fietsers die ik tegenkom onderweg, voel ik die regel roepen en geef toe. Wij fietsenden hebben de liefde voor fietsen gemeen, dus ik groet vriendelijk, en de meeste andere fietsers groeten vrolijk terug.

Deze fietser heeft een stuurtas en ik reageer daar sterk op: ik begroet hem extra enthousiast. Alle andere fietsers die ik zie zijn namelijk wielrenners en andere ongemotoriseerde tweewielers zonder bagage. Deze heeft een soort van bagage, we hebben een extra overeenkomend, in mijn ogen betekenisvol detail. Hij groet me vriendelijk terug. Vrolijk fiets ik voort.

Een paar kilometer later haalt hij me in en komt even kletsen. Zijn Engels is slecht maar hij wil graag precies dezelfde vragen aan me stellen als alle andere mensen aan me stellen, dus ik kan hem redelijk volgen en antwoorden. Hij zegt dat hij in Nederland heeft gefietst, in Utrecht. Ik zeg dat ik daar woon maar mijn Italiaans is zó slecht, en zijn Engels zó slecht dat hij niet begrijpt hoe toevallig ik het vind dat hij meteen de naam van mijn stad noemt.

Hij vraagt of ik koffie met hem wil drinken. Zoals je hierboven ziet, heb ik net koffie op, maar het is toch gezellig om even met deze enorme, gezellige, -oh had ik al gezegd vrij aantrekkelijke- man koffie te gaan drinken? Ik accepteer de uitnodiging en we fietsen een tijdje samen.

Boven op een bergje gaan we op een terras zitten. Hij zegt wat Italiaanse dingen  tegen de barvrouw en plots krijgen we koffie (voor Sanne) en thee (voor de fietser). Met behulp van vertaalapps kunnen we toch een soort gesprek voeren. Over fietsen en dat het zo leuk is, dat hij met zijn ex altijd ging fietsen en dus ook een keer in Nederland. Waar ik heen ga? Naar Sant’Agata di Militello Marina, wat leuk zegt hij, daar woon ik! Wat een prettig toeval.

Ik krijg een idee, maar ik weet niet of het een verstandig idee is.

We praten verder. Ik zit met dat idee en probeer verschillende formuleringen uit in mijn hoofd, maar het lukt niet want we kletsen ondertussen. Goed dat ik ook een blaas heb die ik even wil gaan legen.

Ik loop naar het toilet. Ik loop door de achterruimte, om een zaaltje heen en zie dan: de zee. De prachtige, wijdse zee. Een prachtige, grote lucht, de zon erboven. Wauw. Daar loop ik tegen een actieve schoonmaakster aan, die me staande houdt en laat wachten tot zij klaar is met haar geschoonmaak. Perfectie. Nu heb ik extra tijd om naar de zee te kijken en mijn idee te overdenken.

Monologue intérieur: Hij woont in de stad waar ik vannacht wil overnachten. Ik vind het jammer dat ik elke nacht zo veel voor mijn slaapplek moet betalen. Ik heb er een hotel geboekt per telefoon, dat is dus gemakkelijk af te bellen. Hij is best aardig. Ik wil vaker couchsurfen, maar couchsurfers reageren niet snel genoeg. Ik vertrouw hem. Ik vind het doodeng en misschien is het wel heel onverstandig. Dadelijk is hij straks heel irritant of saai. Dan is het maar één nachtje afzien. Als ik het niet vraag, kijk ik hierop terug als iets dat ik helaas niet heb gedaan omdat ik het niet durfde. Misschien wil hij me wel iets aandoen. Als ik het niet vraag mis ik een avontuur. Is dit een slecht idee? Mijn intuïtie vindt van niet.

Ik ga hem vragen of ik vannacht bij hem thuis mag logeren.