Gisteren fladderde ik met Steven.

Als we op pad gaan en we hebben wel een doel maar het doel is louter een excuus om in te gaan op alles wat we onderweg tegenkomen, dan noemen we dat fladderen.

Ik heb gemengde gevoelens bij fladderen want vooraf weet je dus niet wat je mee gaat maken maar het is wel leuk want je weet vooraf niet wat je mee gaat maken. Ik vind onverwachte avonturen zowel leuk als onleuk. Hoe dat kan, begrijp ik niet en uiteraard probeer ik hard te bedenken hoe of het toch kan.

Ik had helemaal geen plan gemaakt voor het weekend, dat was het afgelopen jaar het lekkerste wat er was: dat er helemaal niks in mijn agenda stond voor die avond, die dag, die week, dat weekend. Vorig jaar had ik altijd drie afspraken op een dag (als er een afspraak was uitgevallen). Dit jaar niet zo. En dat was heerlijk. Het was fijn want ik kon maar weinig en het was fijn want als ik dingen had afgesproken dan was het op het moment dat het zover was, vaak maar de vraag of ik er energie voor had en afzeggen vond ik stom. Dus ik sprak minder minder minder af.

Het gebeurt me nu zo nu en dan dat ik het niet meer fijn vind dat mijn agenda, of mijn weekend leeg is. Geweldig. Eindelijk. Ik krijg weer meer behoefte aan leuke plannen en ik durf het binnenkort misschien ook weer wat vaker aan om meerdere leuke afspraken in te plannen.

Gisteren hadden we niks gepland, dus we gingen fladderen.

Er moet dus vertrek excuus zijn, en het duurde even voordat we dat bedacht hadden. Dat vond ik frustrerend, maar toen realiseerde ik me dat ik niet gefrustreerd wilde zijn over het bedenken of doen van iets ontspannends. Het is een contradictie in termen. Dus ik stopte met frustreren, dat viel nauw samen met het besluit om de fluisterzachte konijnen op de kinderboerderij om te hoek te gaan aaien.

Met dikke jassen en een tas vol boeken en knutselmateriaal en een paar iPads (aagh) togen wij naar de kinderboerderij.

Er waren geen zachte konijnen meer. Wel grote, met hele grote oren en een troepje kleine bruinen. Ze waren lief en ze roken lekker naar stro en konijn. Konijnen eten ’s ochtends hun eigen keutels op, leerden we.

Er was nog een kinderloos stel daar aan het aaien, dat vond ik leuk.

Buiten leerden we dat van die kippenpoep, foto hierboven.

We fladderden verder. Ik mocht plassen in een ‘winterwonderpand’. We aten een broodje aan een lange tafel waar ik knutselde, Steven las. We fladderden verder. Namen een trein naar het centraal station, toen voelde het alsof we heel ver waren gelopen, maar dat was niet echt het geval. We hadden gefladderd.