deel 1/2  | Napoli-Pompeï  | fiets: 27,7 km |  hardlopen: 1,1 km | wandelen 12,2 km | maandag 16 januari 2017

Ik word extatisch wakker en ontbijt weer met een grote pot Nutella op tafel, en zie je dat?? Er staat zelfs pindakaas.

Ik word blij wakker: vandaag ga ik eindelijk echt fietsen! Ik kleed me rustig aan: eerst een van mijn twee onderbroeken, dan een fietsbroekje, dan een legging. Een van mijn twee paar sokken. De enige schoenen die ik bij me heb zijn mijn oranje hardloopschoenen. Mijn oranje sportshirt, daarover een merino wollen shirt (waarin je niet gaat stinken) met lange mouwen. Daarover een sportvest met een capuchon, daarover een zacht wit vest, daarover mijn knaloranje regen/windjack. Ik draag een kort broekje met een zeempje erin, daarover een strakke grijs/zwarte sportlegging. Op mijn hoofd een petje, “kamelenrace” staat erop. Het houdt de zon uit mijn gezicht alsook de regen. Een heleboel laagjes die aan en uit kunnen, al naar gelang mijn gezweet en het weer. Ik zie er uit als iemand die flink gaat sporten. En huppel van plezier.

Bij het ontbijt staat weer een grote emmer Nutella op tafel, en zelfs pindakaas. Ik heb mijn eigen pindakaas meegenomen. Ik lepelde een pot leeg in een hervulbare plastic tube (want glas is veel te zwaar op de fiets). Die zit nu in mijn voedseltas, samen met twee pakjes oerhollandse instant noedels voor noodgevallen, een potje zout, een potje tijm en een bakje met kokosvet om mee te koken.

Vandaag ga ik fietsen. Oh wat fijn. Ik hoef me niet te haasten want ik ga maar vijfentwintig kilometer fietsen, dat is zo gepiept. Ik ben niet van plan om op mijn fietsreis heel veel toeristische hoogtepunten te bekijken, maar vandaag fiets ik sowieso langs Pompeï, dus kan ik het beroemde dorp net zo goed bekijken.

Ik wandel nog een stukje door Napels op zoek naar een lenzendoosje dat ik vergat mee te nemen, maar de Ottica gaat pas om 10.00 uur open en zo lang wil ik niet wachten.

Ik duik nog een klein auto-accessoires-en-gereedschappenrommelwinkeltje in. In heel Italië zijn veel van deze rare rommelwinkels die alle buurtbewoners ongetwijfeld kennen als ‘de winkel van Giuseppe’. Iedereen weet vast wat voor dingen hij ongeveer heeft dus als je zoiets ongeveer wilt, dan ga je naar hem. Ik vind zulke winkeltjes stukken leuker dan bijvoorbeeld De Kruidvat. Zonder Italiaans te spreken, is het niet altijd makkelijk om te vinden wat je zoekt. Ik zoek namelijk spiritus voor in mijn kooktoestel. Als ik vraag naar “spiritus”, vraag ik vermoedelijk per abuis naar de heilige geest. Ze kijken me namelijk een beetje raar aan.

Ik zeg: “par cochinar”, want blijkbaar spreek ik een beetje Spaans. Ik beeld uit: gieten in een bakje, aansteken, sissende pan. “Oh alcohol!” zeggen ze. Ik wil heel graag spiritus, want ik weet zeker dat dat werkt, maar dat hebben ze niet, dus ik hoop maar dat ze gelijk hebben en dat ik inderdaad op alcohol kan koken.

Na de naam van een hostel in Palermo te hebben gekregen van Sabryna de receptioniste, haal ik mijn fiets van het balkon. Hoi fiets! Hoi!

We gaan samen de minilift in. Beneden in de gang hang ik mijn fietstassen aan mijn fiets. Ik sleutel het stuur weer vast met mijn speciale, lange inbussleutel.

“Dag hostel”, zwaai ik. Wat was het gezellig daar, ik had er zo nog een hele tijd kunnen blijven. Hostels kunnen bij het reizen een soort fuik worden waarin je blijft hangen. Een warm bad van fijne mensen en makkelijke contacten in een vreemd land.

Het is mooi weer, rond 15ºC en het allerbelangrijkste: het is droog. Ik fiets uren langs huizen, tussen auto’s. Dus dit is het, denk ik, dit is fietsen in Italië. Bovenop een brug pomp ik mijn banden maar eens goed op, dat had ik op het vliegveld niet zorgvuldig gedaan. Fietsen met volle banden is veel prettiger.

In een drukke winkelstraat waar auto’s stapvoets en bumper aan bumper zigzag ik tussen de auto’s. Je plek op de weg moet je hier zelf innemen. Als je die niet neemt ben je een gevaar in het verkeer omdat iedereen verwacht dat je dóórfietst. Dat je niet aarzelt omdat je denkt: jij grote deukauto, ga jij maar voor. Nee, je haalt dubbelgeparkeerde auto’s in ten koste van auto’s achter je, ook al zijn die auto’s minder kwetsbaar dan jij op je fietsje. Italianen zijn niet bescheiden en ze verwachten niet dat ik het ben, dus mijn Hollandse ga-jij-maar-eerst-nee-jij laat ik direct los.

Ik lunch op een muurtje. In het hostel heb ik een gruwelijke flutroman gevonden, die lees ik terwijl ik eet. Ik had dat enorm literaire meesterwerk met korte verhalen op het vliegveld gekocht, maar telkens als ik probeer te lezen, dwalen mijn gedachten af, snap ik niet waar het verhaal over gaat en val ik in slaap. Dus lees ik liever over een woest aantrekkelijke, vrijgevochten kunstenares die in een afgelegen huisje woont en daar te maken krijgt met een al even aantrekkelijke FBI-agent. Stukken beter.

Onderweg kom ik langs een Ottica die wel open is. Daar bemachtig ik een lenzendoosje door mijn uitmuntende mime-kwaliteiten. Ernaast is een koffiebar waar ik mijn mimi-kwaliteiten probeer in te zetten om een oude Italiaan te vragen op mijn fiets te letten. Hij snapt niet wat ik bedoel, een Engelssprekende jongeman snapt me wel. Hij let even op. Kan ik met een gerust hart plassen en bestellen.

Ik luister onderweg niet naar audioboeken of podcasts. Ik wil zijn waar ik ben. Als ik luister ben ik afgeleid van waar ik ben en dat is zo zonde. Ik kijk om me heen. Glimlach om alles dat anders is dan thuis. Ik zit uren na te denken op de fiets over van alles, niet echt hele boeiende dingen, gewoon, gemijmer.

Ben, de Australiër met wie ik musea bezocht, vertelde me gisteren dat hij ging paardrijden op de Vesuvius, de berg van de vulkaan die Pompeï bedolf. Door de bossen een berg opdraven, dat leek mij ook wel wat maar het kon niet: Ben zou worden opgehaald bij het hostel in Napels op 17 januari, morgen dus, en dan wilde ik al lang onderweg zijn. Al fietsend denk ik hierover na. Ik wilde graag, maar het fietsen ging voor. Ik ben hier op fietsvakantie ja.

Mijn route vandaag houdt de Vesuvius aan mijn linkerhand. Die berg is er de hele tijd. Die berg is in de buurt van waar ik vannacht slaap. En dan pas bedenk ik dat ik kan vragen of het paardrijbedrijf me in Pompeï kan komen ophalen, in plaats van bij het hostel. Dan kan ik morgen toch mee een berg op. Op een paard. Zodra ik wifi vind, vraag ik of het kan, en het kan. Morgen om 10.00 uur word ik opgehaald.

Het is inmiddels bewolkt. Het regent zo nu en dan een heel klein beetje. Ik bereik Pompeï. Als je goed kijkt, zie je het bordje.

Mijn eerste fietsdoel is bereikt! Pompeï bestaat uit een nieuw dorp waar moderne mensen wonen en een uitgestorven oud dorp waar je doorheen mag wandelen na aanschaf van een toegangsbewijs.

Op de berg van Pompeï vind ik een camping die open is. Dat is een klein wonder merk ik later in mijn reis als zo ongeveer alle andere campings die ik tref gesloten zijn. Deze camping is naast een van ingangen van de lang geleden door as bedolven stad. Schaterend om mijn eigen grap vraag ik of er nog plek is op de camping. Ik ben de enige gast met tent, er staan twee campers tussen de sinaasappelbomen.

Ik zet mijn tentje op, en zet meteen een kop koffie. Niet omdat ik koffie wil, gedver nee, het is gevriesdroogde koffie, duivelsnat, dat me slechts in noodsituaties hoeft te redden van de kou. Nee, ik wil weten of ik op alcohol kan koken. En het kan. Het water kookt snel, het vuur waait niet uit.