Zes weken heb ik mijn huis uitgeleend aan een vriendin. Ik reis rond met een rugzak en flexwerk waar ik kan, ik plan weinig [overzicht].
Lees hier alle verhalen over mijn huisloze tijd.

“Van reizen heb ik twee keer plezier”, zei iemand me laatst “de voorpret van het plannen en het reizen zelf.” Ik luisterde ademloos naar haar verhaal over plannen maken en geschiedenis doorlezen en mooie locaties vinden, landen kiezen en vliegtickets boeken en zo maanden toe te leven naar een grote reis.
Planloos rondfladderen, dat kon zij niet, zei ze.

Probeer ik een reis te plannen dan geniet ik niet van die honderden opties en plaatsen en tijden en dingen waar ik rekening mee moet houden. Ik verdwaal in talloze gebookmarkte websites, in eindeloze airbnb-opties. Als je dan daar bent dan moet je dan daar de bus nemen want die gaat maar één keer per dag, maar als je besluit om toch een dag langer te blijven, dan gaat er geen bus maar wel twee treinen maar dan kun je niet daar slapen want daar kun je alleen met de bus komen. Het eiland X is mooi om te snorkelen maar je hebt een speciale snorkel nodig die je misschien in die winkel op het eiland Aaaaah. Niks voor mij.

Voordat ik ergens heen ga, kan ik slechts een klein stukje vooruit plannen. Meestal lukt het me net om de slaapplaats voor de eerste nacht of nachten vast te leggen, verder niets. Ik leg start- en eindpunt vast en laat de rest gebeuren. Heerlijk vind ik die manier van reizen. Daardoor mis ik soms kansen en heb ik geen warme wandelkleren voor op een ijzig koude Etna. Maar dat lost zich op. Want waar je kansen mist door niet te plannen, verschijnen kansen door niet te plannen. Waar je geen warme kleren hebt, kun je wat lenen of ril je meer.

Ik beslis ter plaatse wat ik wil gaan doen. Ik heb een altijd groeiende lijst met “dingen die ik nog wil doen” i.e. lifelist (ookwel bucketlist), waardoor ik me er altijd bewust ben van wat ik nog wil doen, maar nodig is die niet. Ik kan altijd luisteren en kijken naar wat zich voordoet en waar ik vlinders van in mijn buik krijg, zeg ik volmondig: yes, please.

Zo liep ik dus een paar dagen geleden ineens op de Etna met een vriend van mijn couchsurf-host Gianluca, in de kleren van Gianluca. We schuifelden honderden meters omhoog en liepen over zwarte vlaktes met voorbijsnellende wolken. Soms hadden we maar twee meter zicht en was het enige dat ik kon zien het oranje lint om zijn rugzak. We renden over zwarte zandvlakten naar beneden, mijn schoenen knelden aan mijn voeten omdat zich bij elke stap meer zand in mijn hardloopschoenen verzamelde. We probeerden in een grot te abseilen maar kozen voor veiligheid en belandden in een rondleiding door een andere grot en leerden over lavatunnels. Langs de kant van de weg, bungelend aan een touw vastgeknoopt aan de vangrail leerde ik abseilen. ’s Avonds aten we pizza en dronken we Nero d’Avola.

Hoe had ik dat vooraf kunnen plannen?

Ik had het willen plannen, ik had vooraf willen vastleggen: en dan ga je één dag “flexwerken” bij je couchsurfhost op het balkon en daarna een dagje op toer met een local en dan werk je weer een dag thuis en dan ’s avonds ga je dat andere leuke doen. Het is toch onplanbaar?

Ik probeer te reizen met de mantra: Ik weet zeker dat het goed gaat komen, ik weet alleen nog niet hoe, ik ben erg benieuwd.

Natuurlijk vind ik het soms doodeng dat ik het niet weet, maar élke keer komt het weer goed, potjandrie.

Ik zeg niet dat alle andere mensen zo moeten reizen. Dat iemand die het anders doet, moet leren loslaten, gadsie nee. Ik denk dat als je reist, dat je dat moet doen op de manier die voor jou het allerbeste voelt. De manier die je brengt wat je zoekt, die je uitdaagt op de manier waarop jij wilt worden uitgedaagd, dat je zorgt dat je krijgt wat jij nodig hebt.

mm je kunt “reizen” ook vervangen door “leven” zie ik nu. Diep zeg.