Sinds ik weer schrijf, deel ik veel makkelijker en met veel meer mensen dat het vaak niet zo goed gaat. Heerlijk.

Als ik weer iets zeg in de trant van “doodmoe want overprikkeld” , denk ik nog steeds vaak: “dat zég je niet”. Want ik heb geen zin om te zeuren. Ik denk: “Die mensen hebben echt geen zin om dat te horen”, “praat niet zo veel over jezelf”. Hemeltjelief als ik mezelf zo hoor dan snap ik heel goed waarom ik soms zo moe ben.

Ik was bij een workshop over marketing en markten. Ik was (zelfbenoemd) special guest. Loes gaf de workshop, ik vulde aan waar nodig. Het duurde twee uur en toen was ik hyper en enthousiast. Ik wist ook dat ik tien minuten nadat ik er weg was, zou instorten. Die tien minuten moest ik op de bus wachten.

Wachtend kwam een van de deelnemers van de workshop aanlopen, ze moest net als ik met de bus en daarna met de trein naar Utrecht. Ik had haar al opgemerkt. Ze had een prettige uitstraling. En toch baalde ik, want ik zou een fijne manier moeten bedenken om te zeggen: “ik wil niet meer praten want ik ben uitgepraat”. Of ik moest haar afschudden. Soms neem ik dan een treintje later, gewoon om alleen te kunnen bijkomen. Ik had het nodig, na zo’n workshop sowieso en nu ging ik ook nog daarna naar Awesome Utrecht.

Ik zei het gewoon, dat ik moe was. Ik was niet zo coherent want ik probeerde zoveel te zeggen zonder alles uit te leggen. Ik was moe. Ik begon ook een beetje haperend te praten, dat gebeurt soms als ik te vol zit met gedachten en verhalen. Ze begreep het, dat was duidelijk. Ik hoefde niet alles uit te leggen. Ze snapte ook meteen dat ik alleen wilde zijn. En ik vond dat ik… ik wilde haar óók horen, maar ik had helemaal geen plek meer voor haar.

Ik voel me dan een vogel die tegen de ruiten aanvliegt, die eruit wil. Ik denk: “even genoeg over jou en je vage gemurmel, vraag eens naar haar, wat doet zij eigenlijk?” Maar ik kan niet meer luisteren, ik kan nu alleen maar even zenden en dan rusten. En dat vind ik stom. Dat laat ik nu maar even zo, want ik wil echt niet meer luisteren, zelfs al vind ik mezelf dan stom.

Het delen geeft rust: zo hoef ik veel minder vaak te doen alsof het goed gaat. En het delen vóórdat er stront aan de knikker is, dat is ook fijn. Als ik dan van die halfopen ogen heb, omdat ik rust moet. Of (zo ziet het eruit) ineens ga huilen , dan weten mensen wat het is. Gaat ook niet zo lekker, ga maar lekker naar huis, moedigen ze me dan aan.

En het delen zorgt ervoor dat mensen makkelijk met mij delen. Ik krijg mooie eerlijke verhalen van verdriet, ziekte en vermoeidheid. Ik krijg lieve reacties en zo nu en dan hulp. Heerlijk.