deel 1/2 |  Cosenza – Fiumefreddo Bruzio | wandelen 7,8 km | hardlopen 9 km | auto 80,4 km | dinsdag 24 januari 2017\

(Ik ging “Fietsend van Napels naar Palermo”. Lees alle verhalen vanaf hier, of koop mijn eBook en lees alles op je eReader)

Vandaag fiets ik niet én het regent niet als ik wakker word.

Ik ren de trap af, de straat op. Mijn knieën protesteren op het begin maar na een tijdje zijn ze het met me eens: hardlopen is echt heel fijn.

Ik ren door het centro storico -historische centrum- van Cosenza. Ik zoek naar natuur terwijl ik ren en besef me dan dat ik in een stad ben en dat ik nu beter het geweld van de stad kan opzoeken. Zo beklim ik steile steegjes, midden in de stad, ren ik langs historische gebouwen. Ik vind een lange boulevard beneden bij de rivier die de stad doorkruist, die na vijftig meter door een laag bouwhekje is afgezet. Zal wel zomaar zijn toch? Ik ren door, ontwijk gaten in de weg, rotzooi, brokken steen, hoopjes stenen en dan wordt zonder aarzelen de boulevard ineens weer boulevard en kan ik via een trap weer verder rennen. Ik eindig in een park waar niemand is, waar de paden glad zijn en de bomen zacht “hallo stadsmens” fluisteren, als vage vrienden.

Weer thuisgekomen, douche ik me, pak mijn spullen in en dan gaat de bel. Het zijn Sergio en Carmine, we gaan posters plakken. We gaan lopend dus we slepen mijn fiets en tassen overal mee naar toe.

Sergio kan niet de hele dag mee posters plakken, vertelt hij, hij moet naar zijn cursus pizzabakken, oh Italië. Hij is al twee keer naar de school geweest vandaag maar de les was om redenen die alleen de docent kent nog niet begonnen. Wat moet je dan doen? Blijven komen checken, totdat op een geven moment duidelijk wordt of de les doorgaat. Het kan ook zijn dat er een andere les begint terwijl je denkt dat je in de juiste les zit. Het is me wat.

We plakken een poster in de boekhandel waar Denis gaat optreden. Ik koop er een nieuw boek want ik weet al bijna hoe het afloopt met de kunstenares en de FBI-agent (goed!). Komende tijd lees ik een geromantiseerd verhaal over ene Catherine Parr die moet trouwen met de psychopathische koning Henri XIII en die verliefd is op een van de leden van haar hofhouding. Sergio’s gaat nog even kijken of zijn les nu eindelijk begint en hij komt niet meer terug dus het zal wel begonnen zijn.

Carmine en ik beplakken samen de stad. We slenteren, drinken koffie. We plakken posters, we wachten tot de regen voorbij is, vergeten onze missie, herinneren ons hem dan weer. Sergio voegt zich weer bij ons, hij heeft in zijn les na moeten denken over hoe hij een pizzeria zou runnen.

Het regent weer, bah. Mijn schoenen zijn nog altijd nat en mijn voeten zijn koud dus ik vraag of we mijn schoenen ergens kunnen drogen. In Nederland slenter je dan een willekeurige bar binnen en je zet je natte schoenen op de warme verwarming, maar hier niet. Net als in Napels zijn ook hier weinig horecagelegenheden met gloeiende radiatoren. Geen goede plek voor een meisje met natte voetjes.

Ze nemen me mee naar een vriend van hen met een straalkachel. De vriend spreekt nauwelijks Engels, dus converseren gaat moeizaam, maar eten gaat prima. Hij biedt me een bord aan met als disclaimer: “ik heb gewoon wat in elkaar geflanst” en het smaakt alsof de goden erop gepist hebben. We moeten nog even wachten tot Sergio zijn moeder naar haar werk heeft gebracht, daarna kunnen we met de auto naar het natuurpark om rond te wandelen, met droge voeten.

Carmine en ik drinken nog maar een kopje koffie ergens. Ik schrijf in mijn reisschrift. We wachten tot zijn broer weer komt. Als die er is kunnen we naar Sila rijden. Daar zullen Carmine en ik gaan wandelen. Sergio rijdt terug om zijn moeder op te halen van haar werk. Wij gaan na de wandeling terug met de bus. Dan gaan we wachten op Denis en dan gaan we met z’n allen naar Fiumefreddo Bruzio. Tenminste dat is het plan.

We rijden naar Sila. Het sneeuwt er.

 

Het is prachtig daar hoor, maar het sneeuwt. Vanuit de met warmte gevulde auto zeggen we zo “oh” en “ah” en “wauw wat is het mooi hier” en keren dan lekker weer om. Wij zijn niet gekleed op sneeuw.

We wachten in het huis van de moeder van Carmine en Sergio tot Denis eindelijk komt. We wachten en wachten. Nog vijf minuten is het dan wachten, maar hij komt niet. Nog eens vijf minuten. Om 18.15 uur beginnen we maar aan een aperivo: kleine hapjes met een alcoholische versnapering die Italianen vaak voor het avondeten eten. Ondertussen stellen we een lijst op van al het typisch Italiaanse eten dat ik onderweg nog moet eten. We eten “pressed olives”, die zijn leuk om te vragen. Zeg maar: “pass me the pressed olives please”. Dan zijn het depressieve olijven. Haha. Misschien had je erbij moeten zijn. Je had erbij moeten zijn, dat eten was zó lekker. Italiaanse worst, kaas met pistache noten, zachte ingemaakte champignons, oh, oh oh. We luisteren naar Denis’ muziek. Sergio gaat alvast zijn moeder halen, zij rijden alvast naar Fiumefreddo.

Dan eindelijk gaat de bel en dan is daar eindelijk de langverwachte, de verloren zoon, de zanger, de Couchsurfer, de vriend: Denis. Hij staat in de deuropening. Een grote jongen met een lange jas en lang zwart haar. Ik zie hem en denk: jij bent fantastisch.