In de meeste horecagelegenheden is het ongepast: je eigen eten meenemen. In Utrecht is er naar mijn beste weten één zaak waar je je eigen eten mee mag nemen: De Zaak aan de korte Minrbroederstraat, het stadhuisplein in de volksmond.

Men koopt elders eten en eet het op in De Zaak:  plek voor je eigen ontbijt, lunch, brunch, diner of verjaardagstaart. Ik fantaseerde er stilletjes al een hele tijd over om daar eens extreem te gaan dineren. Een grote tafel te dekken met wit linnen, iedereen in avondkledij, kaarsen op tafel, geen wegwerpservies, servetten en vele gangen. Niet omdat ik wat te vieren had, maar omdat het kon.

Zo ging het. Een vriendin verzamelde wat vrienden ze zei (met iets meer woorden): “hier heb je een groep met leuke mensen die graag inspirerende dingen willen doen, dus: wat heb je altijd al eens willen doen?”

Het duurde even voordat ik het idee van het Diner kon oprakelen. Het was geen diepe wens. Het was een stom idee. Heel veel mensen hadden dat vast al een keer gedaan. Het was niet inspirerend genoeg. Het duurde dus even voordat ik de laagjes van zelfafwijzing eraf had gepeld en toen zag ik ineens een mooi idee.

uitnodiging diner

Op die dinschdag fietste ik dus in mijn avondjapon met kriebelende buik naar het stadhuisplein naar wat we voor de gelegenheid omdoopten tot “La Zaaque”, toch net een beetje chiquer.

Onderweg fietste ik twee politiepaarden voorbij, ze hadden net een dampend cadeau uitgescheden. Ik vroeg me af hoe het kan dat je als burger een boete kunt krijgen voor het niet oprapen van hondenpoep maar als agent het hele fietspad mag volgooien zonder ernaar om te kijken.

Het was gek dat die paarden daar liepen want het was zomaar een dinsdag. Toen fietste ik nóg twee politiepaarden voorbij. En het begon me te dagen: ergens was stront aan de knikker.

Dat ergens was natuurlijk op het stadhuisplein.

Het wemelde er van de in het zwart geklede mannen, een handvol vrouwen, politieagenten en er liepen een paar paarden. Er was die avond een raadsvergadering over o.m. het geplande Azielzoekerscentrum in Overvecht, waarzo’n 400 mensen moeten komen te wonen. Zo’n 100 mensen waren nu komen opdagen om daar tegen te protesteren.

Ondertussen arriveerden mijn galagasten druppelsgewijs. We gooiden het linnen over de grote tafel bij het raam, pakten onze borden, ons bestek, schreven het menu op en startten met onze entree: charcuterie – dat was inderdaad een heerlijk stukje worscht met een authentiek zakmes tot plakchens geschschneden.

Twee vaste bezoekers riepen vol ongeloof dat ze zo’n prachtig gedekte tafel in De Zaak in al die jaren nog nooit gezien hadden. Het was een fantastisch idee en waarom had nog niemand dit ooit gedaan. Dank voor de bevestiging.

nummer 6&7 was het dessert: een mascarpone creme met rauwe eieren, rozijnen en lange vingers om erbij af te likken.

nummer 6&7 was het dessert: een mascarpone creme met rauwe eieren, rozijnen en lange vingers om erbij af te likken.

Je kunt vast raden welke gang ik bereid had. Het recept staat hier.

Zo zaten we in pak, in jurk op chique aan een lange tafel vol tafelzilver. Om ons heen stonden cafébezoekers, steeds meer demonstranten, soms even politie.

voor tante agaat 1

Voor de privacy heb ik wat gezichtjes geblurd, behalve het mijne.

adsurdisme

Het was een vervreemdend geheel.

Op een goed moment, vlak voor de crèma di mascarpone, vroeg ik of we niet moesten gaan verkassen. Er stonden zo veel mensen om ons heen, helemaal in het zwart gekleed. Er ging een jongen aan de wandel met een barkruk, die ik uit zijn handen haalde (zonder moeite) en hem vriendelijk informeerde dat die kruk niet van hem was en dus niet mee naar buiten mocht. Marie stond met een stel jongens-in-het-zwart te praten. Er werd buiten 3 keer vuurwerk gegooid, niet richting mensen maar het knalde wel enorm. Er was een heleboel geel op het plein.

“Nee” zei Wil “dat kan niet, dan hebben ze gewonnen”. Naast en mét elkaar kunnen leven vind ik belangrijk, maar geconfronteerd met zo veel mensen die zo anders dachten, een compleet andere wereld dan de mijne én die zo boos waren; dat was best een beetje spannend.

Ondertussen ontstonden er her en der gesprekken. Twee groepen die gewoonlijk weinig contact hebben, raakten aan de praat. Met heel veel van de jongens was een prima gesprek te voeren. Een van de tafelgenoten is tweede generatie allochtoon: ga daar maar eens tegen zeggen dat ze op moet rotten naar haar eigen land. Dat gaat niet.

Ik vond het zelf lastig om een gesprek te beginnen. Als ik mensen racistische dingen hoor zeggen, heb ik vaak geen weerwoord, ik weet niet hoe ik op zulke dommigheid moet reageren, behalve zeggen dat het belachelijk is. De woorden ontbreken me, dus zeg ik liever niets. Ik ben er al achter dat dat jammer is.

Of de angst dat ‘ze’ onze banen in gaan pikken reëel is, weet ik niet. Ik gok dat ‘ze’ geen markten gaan organiseren, maar dit waren allemaal jongens en mannen uit een andere sociale klasse, beroepen waarvoor mensen zonder (Nederlandse) opleiding misschien wel gemakkelijker instromen. Of het reëel is is niet eens de vraag, van belang is dát er een angst is. Een angst die gehoord moet worden want zonder geruststelling is die angst een snelkookpan.

Na een tijdje stond ik toch met een jongen te praten. We dwaalden al snel van het onderwerp af.

Zo’n avond. Er was een ontmoeting tussen mensen en het was ingewikkeld en grappig en verwarrend en leuk. Het was zo’n vreemde avond. Wat leuk dat we er waren.