deel 2/3 |   Caccamo – Palermo  | fiets 51,4 km | wandelen 3,8  km  | maandag 6 februari 2017

Mijn einddoel veranderde vlak voor ik vertrok. Eerst wilde ik naar San Vito Lo Capo, dat ligt zo’n 100 kilometer voorbij Palermo. Vlak voor mijn reis bleek echter dat degene die ik er wilde opzoeken niet thuis was (en zijn hostel gesloten), dus verkortte ik mijn reis en maakte van Palermo mijn definitieve bestemming. Maar San Vito Lo Capo was het daar blijkbaar niet mee eens want over een paar dagen lig ik alsnog op het haar witte droomstrand. Maar nu ben ik nog in de metropool Palermo.

Met haar mooie, hoge gebouwen, zon die de bovenste etages likt. Het is zo veel levendig en veel voller dan de dorpen en stadjes waar ik eerder was. Er zijn winkels, ze zijn zelfs open. Er zijn ketens en winkels die hipsters willen plezieren. Er fietsen mensen. Er zijn drukke verkeerspunten, eenrichtingswegen. Gebouwen met geschiedenis. Pleinen. Grote kerken en kathedralen. Ik ben een andere sfeer in gefietst. Meteen voel ik behoefte aan nieuwe kleren. Aan discojurken en douchen. Het lijkt of de stad vraagt om een ander meisje.

Vanuit de etalages lonkt de garderobe van het stadsleven me. Het voelt alsof ik me moet veranderen om hier te kunnen zijn. Al weken draag ik elke dag hetzelfde. Elke dag draag ik dezelfde schoenen. Ik heb twee onderbroeken, die wisselde ik af en waste ik onder de douche. Ik draag altijd mijn sportbh of bikini. Voor mij is géén kledingkeuze hebben vakantie. Minder spiegels om mezelf de hele dag aan te toetsen, geen keuze om me te kleden naar onbelangrijke kledingvoorschriften. Ben ik in steden, bij andere mensen, dan borrelt er weer een behoefte in me op om me mooier te maken dan ik ben als ik niet mijn best doe.

Die behoefte is niet welkom, maar ze is als een kunstwerk op een ruwe muur: het trekt de aandacht en wordt gewaardeerd.

Dat wat ingelijst is, valt op. Leidt af van het ongelijke oppervlak van de muur die erachter ligt. Die bij bestudering uit allerlei vakjes en lijntjes en randjes en kleurtjes blijkt te bestaan. Het is makkelijker om dat schilderij te laten zien in de stad.

Alles dat ik bij me heb, is meegenomen voor het fietsen. De jurk die ik halverwege kocht, gaf gehoor aan mijn behoefte om mooi genoeg te zijn om mee te mogen doen aan het sociale leven.

In mij bruist vandaag een tomeloze energie, een levenslust, een onverstoorbare blijheid. Ik weet nog steeds niet wat ik vanavond ga doen, maar ik weet zó zeker dat het leuk word. Ik blijf dat benadrukken omdat deze dag zo bijzonder was. Een dag waarin alles precies zo leek georkestreerd om me naadloos naar het volgende deel van mijn reis te brengen.

Eerst fiets ik naar de verkeerde straat, op het adres waar ik aankom is geen hostel maar er staat bij een prullenbak wel een paar roze hakschoenen. Ze precies mijn maat. Ze staan gewoon klaar voor mijn voeten. Hakschoenen voor een metropool. Ik klem ze onder mijn snelbinders. Natuurlijk is dat harstikke vies, maar aan de andere kant loop ik blootvoets over zwembadkleedkamervloeren waarover veel meer voeten hebben gelopen dan er in deze schoenen hebben gelopen.

Het hostel “A Casa di Amici” waar ik intrek is fijn. Aan de muren hangen muziekinstrumenten, het personeel spreekt vloeiend Engels. Het ademt de sfeer van reizen, gezelligheid en vrijheid. Er is muziek. Er zijn zelfs andere gasten.

Eerst wil ik het gefiets en de geur van rotte eieren uit mijn kleren wassen. Uit ál mijn kleren. In het hostel is wel een wasmachine maar geen droger, zegt de Fietsende Duitser die ook in mijn slaapzaal slaapt. Er is een wasserette in de buurt waar je je kleren ook meteen kunt drogen, ideaal. Hij legt me uit hoe ik er heen moet lopen. Ik bied aan om ook zijn vuile was mee te nemen. Hij maakt er graag gebruik van.

Hij neemt zich al 1,5 maand voor om morgen écht te vertrekken uit het hostel, vertelt ‘ie. Hostels kunnen je soms opzuigen. Ze voeren je elke dag nieuwe vrienden aan, een herbergen je in een stad vol vermaak en afleiding.

Al mijn kleren moeten schoon, dus dan heb ik niets meer om aan te trekken. Aan de balie vraag ik of ik wat kleren mag lenen uit de gevonden voorwerpen doos. Hij moet even zoeken hoor, zegt de receptionist. Ik verzamel mijn was in de speciale zak die ik gebruik om al mijn losse fietstassen te vermommen als 1-stuk-bagage voor in het vliegtuig.

Ondertussen heeft de receptionist een hippe jas voor me gevonden, zo’n groene met een bontkraag die nu iedereen heeft. Fonkelnieuw en recentelijk achtergelaten door iemand die naar warmer oorden vertrok. Er waren niet zo veel broeken, zegt hij, alleen deze spijkerbroek met gaten bij de knieën die iedereen nu heeft. Alles zit me als gegoten. Het is ongelooflijk. Ineens ben ik getransformeerd tot hogehakte, hippe vamp. En ik heb geen ondergoed aan, want álles moet in de was. Hihi.

Ik hang mijn enorme knapzak met al mijn vieze kleding, mijn vieze schoenen en de vieze kleren van de Fietsende Duitser over mijn rug en wankel richting de wasserette.

Van routebeschrijvingen kan ik enkel de eerste aanwijzing onthouden, als ik mazzel heb beklijft er nog een detail van de rest van de beschrijving. Bij de eerste spliting weet ik dus al niet meer waar ik heen moet. Ik dwaal wat, word verkeerd gestuurd. Op de grond vind ik een zwart t-shirt met een open rug. Dat is mooi want ik wil al een tijdje een shirt met een blote rug en ik ben op weg naar de wasserette dus mijn vondst is over een uurtje schoon.

Ik snap echt niet meer waar ik heen moet en bel het hostel, de receptionist geeft me de straatnaam en ik vind de wasserette.

Mijn schoenen mogen niet in de was, dus ik verwissel de hooggehakte enkelvijanden snel voor de hardloopschoenen waar ik al een maand op fiets. Er is nog één stoel vrij. Naast me zit een hipster te computeren.

Ik probeer mijn boek te lezen, maar ik heb honger en ben onrustig dus ik loop terug naar een marktkraampje waar ze me aardbeien verkopen, fragola per favore. Terug in de wasserette bied ik de hipster een aardbei aan. Hij pakt de allerkleinste, ik zeg dat hij niet de allerkleinste hoeft te nemen.

Hij ziet er mooi uit. Hij is dun, heeft een grote knot op zijn hoofd met lang zwart haar. Een geruit overhemd. Een spijkerbroek. Praktische bergschoenen. Hij heeft waanzinnig mooie, blauwe ogen. Hij is Brits, hij spreekt dus vloeiend Engels. Met hem kun je vast goeie gesprekken voeren. Met hem wil ik eten vanavond.

Ik vraag of hij hier woont, hij antwoordt ontkennend. Hij heeft een bus waarin hij woont. Hij heeft die bus zelf gemaakt*, zegt hij. Ik voel iets in mijn buik draaien.

“Mag ik die zien?” vraag ik meteen.

We wisselen contactgegevens uit, Mike heet ‘ie. Zijn was is klaar, ik wacht tot mijn was droger is. Slenter ondertussen even door de nu donkere stad. Ik zie nieuwe schoenen in winkels en jurken, bh’s. Ik moet er nu niet meer aan denken wat te kopen, ik heb net alles zomaar gekregen en dat was stukken beter.

Met een zak vol schone was vind ik mijn weg weer naar het hostel. Alles is nog  een beetje vochtig, maar mijn nieuwe shirt is redelijk droog dus dat trek ik aan. De rest van mijn kleren drapeer ik over de randen van het mij toegewezen stapelbed.

Ik spreek een tijd af met Mike om zijn zelfgemaakte woon-bus bekijken. Ik heb er zin in.

* voor wie dat niet weet:  het “zelf maken” is de afgelopen 8 jaar als rode draad door mijn leven geweven en is onlosmakelijk met me verbonden. Soms denk ik heet ik nou Sanne Bloem of Zelf Gemaakt? Zie bijv. De Zelfgemaakte Markt en De Zelfgemaakte Scheurkalender. De Zelfgemaakte Bus is het oude brood voor mijn innerlijke eend.