Een vriend van me, Ken, woonde tot voor kort in de Pyreneeën. Je kon hem alleen bezoeken met de auto door naar een bepaalde weg bij de grens van Frankrijk en Spanje te rijden, bij een herkenningspunt moest je een onverharde weg op, na 45 minuten hobbelen, kwam je bij een ander herkenningspunt, daar moest je de auto parkeren*. Dan liep je een uur over een smal pad en dan .. eindelijk .. was je bij Ken.

Vorige zomer bezocht ik hem met Corien, we sliepen er één nacht, onder de sterren en die nacht smaakte naar meer. Ik wilde Ken ook weer zien, hij is goed gezelschap.

Ik wilde hem deze zomer dus weer bezoeken. Ik wilde me gaan storten op het uitzoeken van manieren om daar te komen, toen ik las dat hij verhuisd was naar een dorpje bij een meer in Frankrijk. Toen ik me wilde storten op het uitzoeken van manieren om dáár te komen, stuurde ik hem een mail en hoorde dat hij logeerde in Geleen, waar hij aan het genezen (wishful typing) was van de ziekte van Lyme.

Geleen is helemaal geen uitdaging om te bereiken, dat hoefde ik niet eens op te zoeken: de trein van 8 over heel of half vanaf Utrecht centraal, die neem ik zo’n 8 keer per jaar naar Den Bosch om mijn geboortegrond te kussen.

Tijdens het hardlopen bedacht ik me dat ik altijd al eens van Utrecht naar Brabant heb willen fietsen. De laatste weken ben enorm alert op dingen die ik altijd al eens heb willen doen, om ze dan zo snel mogelijk te gaan doen. Ik besloot om van Utrecht naar Geleen te fietsen.

Ik had geen speciale fiets, geen versnellingen, geen lichtgewicht gear. Ik kocht fietstassen (die na mijn reis prompt werden gestolen) en een standaard (die niet sterk genoeg was voor mijn bepakte fiets én waarvan ik onderweg de helft verloor). Ik tie-wrapte een boodschappenkratje op mijn fiets, printte een knooppuntenroute werd “vriend op de fiets” zodat ik in iemands tuinhuis mocht slapen de eerste nacht.

boskut

Het was fan tas fiets.

Ik fietste zo lang als ik wilde. Ik voelde me zo gezond en blij en het weer was geweldig. Ik fietste dwars door een hittegolf, door de bossen, ik groette vele dieren en vrienden op fiets. Ik logeerde bij een paar leuke krakers, ik fietste veel te lang langs een lang kanaal, ik vond een camping, bezocht een verschrikkelijke markt.

Iemand had me het boekje De tao van Poeh geleend, dat reisde mee (aanrader). Onderweg dacht ik daardoor steeds: alles is precies zoals het moet zijn & wat zou er vandaag nou weer voor iets bijzonders gebeuren. Het was spannend om niet te weten waar ik uit zou komen elke avond, maar elke avond was anders en bijzonder.

Ik ontmoette andere fietsers in de supermarkt in België (waar je wijn mag proeven in de supermarkt, topland). Zij kampeerden wild langs dat ene lange kanaal. We dronken wijn, ik probeerde ze te verstaan. Het waren West-Vlamingen [luister].

Ik fietste dus naar België. Ik was door het rondtrappen van mijn stadsfietspedalen helemaal in België beland. Het gevoel bij het bordje met “België” was fantastisch.

Na een paar dagen fietsen, fietste ik Geleen binnen. Daar was het zo fijn dat ik 3 dagen bleef hangen. Ik sliep bij Ken’s zus en haar familie, waar het hectisch, rommelig en liefdevol was. De middelste dag fietste ik nog even naar Duitsland omdat het zo leuk was om drie landen aan te tikken. Het is toch het leukst om ergens naartóe te fietsen, liever dan een rondje om weer thuis te eindigen. Maar ach, dit keer was ‘thuis’ in Geleen en ik mocht mee-eten bij de familiebarbecue.  We dronken roze en blauwe wijn, aten zo heerlijk.

Daarna bezocht ik vriend Gijs, die ook in Limburg was en toen was het genoeg geweest. Ik pakte in Roermond de trein en zoefde in sneltreinvaart (..) naar huis.

Ik meen dat ik zo’n 300 kilometer heb gefietst. Ik liet me leiden door knooppunten, dat fietste erg fijn. Ik had onderweg doorgaans alleen mezelf om tegen te kletsen en ik heb me geen moment verveeld.

* had ook met de fiets gekund, maar dat uitproberen lukte me niet, zoals je in de volgende alinea leest.